maandag 8 februari
Stemadvies
Vlak voordat het eerste TV West-verkiezingsdebat vanuit café Supermarkt aan de Haagse Grote Markt live de lucht in zou gaan, kreeg ik van iemand achter mij in het publiek een porretje in de zij. Ik draaide me om en zag een heerschap van misschien wel Indonesische origine. ‘Ik zie jou schrijven,’ zei hij.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is correct.’
Op het podium gaf de regisseur het teken dat voor een korte aankondiging even live in het TV Westjournaal zou worden ingebroken. ‘Ik zie mensen met PvdA-sjaaltjes,’ begon de presentatrice te roepen, ‘mensen met VVD-petjes, ik zie mensen met leuke T-shirts van de Stadspartij!’
De aankondiging was afgelopen, de man achter mij bediende zich opnieuw van het porretje. ‘Dus jij werkt voor de krant,’ zei hij. En, toen ik bevestigend had geantwoord: ‘Ik sta op de kandidatenlijst voor de PvdA. Achttiende plek.’
‘Ach’ zei ik. ‘Dan wordt het lastig om in de gemeenteraad te komen.’ Het was zacht uitgedrukt, zo helemaal zonder het woord ‘kansloos’.
De man lachte meewarig; aan zijn ogen ontsnapte een vonkje waarop Engelsen het woord ‘cunning’ zouden plakken. ‘Je vergeet de voorkeursstemmen,’ zei hij. ‘Er wonen zestigduizend hindoes in Den Haag, en die hebben nog geen tempel. Die ben ik nu voor hen aan het regelen, want verkiezingstijd is een geweldige tijd om dingen van de gemeente gedaan te krijgen.’
Ik keek naar zijn gezicht en kwam erachter dat het opportunisme zich via onze lippen verraadt. Ze krullen er in de hoeken even licht van op.
Op het podium hoorde ik de presentatrice de deelnemers aan het debat vragen: ‘Weten jullie eigenlijk waar we zijn? Supermarkt, wat is dat eigenlijk? Komen jullie hier wel eens?’
‘Hier,’ zei de man, en gaf me zijn kaartje. ‘Misschien kunnen we eens praten.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Misschien wel.’ Maar eigenlijk had ik al besloten dat ik mijn column zou misbruiken om de hindoes van Den Haag een stemadvies te geven: Stem niet op Ray Ramnewash. Zeg de komende vier jaar elke week tegen hem: ‘Bedankt nog voor de tempel hè? We hebben vanochtend weer heerlijk gebeden.’
vrijdag 5 februari
Elan met man
Als je mediatraining de baas laat zijn, moet je niet vreemd opkijken als je het voortaan zult moeten doen met politici als Sander Dekker, lijsttrekker van de Haagse VVD bij de komende gemeenteraadsverkiezingen, wethouder Onderwijs, man met elan.
Sander Dekker is een dertiger met een fris gezicht, in pakken met een verse snit. Hij draagt een moderne bril onder een kapsel waarin krullen zijn geknepen door een hand die vooraf met een haarverzorgingsmiddel moet zijn ingesmeerd.
Ik weet overigens niet helemaal zeker of het kapsel ook al meetelt, of dat Sander Dekker pas daaronder Sander Dekker heet.
Voor publieke optredens kun je Sander Dekker in het midden van podia zien staan. In het licht van camera’s en lampen sluit hij omstandig zijn Iphone af. Sander kan minzaam lachen zonder dat in zijn wangen rimpeltjes verschijnen.
Hij draagt zijn zelfvertrouwen als een pin-up haar borsten – je hebt niet onmiddellijk in de gaten dat er ook een persoon bij hoort. Enkele optredens van Sander Dekker en je raakt verzeild in bespiegelingen over aard en oorsprong van het verschijnsel zelfvertrouwen. Misschien zit het zo: hoe minder meubels, des te kleiner ook de onzekerheid over de kansen van inbrekers.
Als hij twee minuten spreektijd krijgt, is hij na een minuut klaar. Dan heeft hij kort en bondig iets stevigs gezegd. Dat er aangepakt moet worden. Dat het afgelopen moet zijn. Dat het afgelopen is.
De uitspraken gaan vergezeld met het even stevig naar beneden brengen van de onderarmen, van vijfenveertig naar negentig graden. Een gebaar als een besluit.
Mediatrainers leren Sander Dekker dat de journalistiek dom is. Als journalisten gedachteloos hun wet van hoor- en wederhoor toepassen, hoef je er maar iets in te gooien dat tegenspraak oproept van je concurrenten – de coffeeshops moeten bijvoorbeeld nodig dicht – en ze hebben voor de rest van de campagne materiaal.
Toeschouwers bekruipt dan misschien het gevoel dat de partijen vooraf al een gelijkspel overeengekomen zijn – jij ja, ik nee – en de wedstrijd is verkocht, maar daar drinkt Sander Dekker voorlopig geen bitter-lemon minder om.
Kusje
Op de Afghanistan-conferentie in Londen gaf onze minister van Buitenlandse Zaken zijn Amerikaanse collega een kusje. Het kusje kwam uit het niets, en leidde tot enige pijnlijke ogenblikken. In de Volkskrant deed Theo Koelé geserreerd verslag van het sociale ongerief, wij zouden er wat dieper op in willen gaan.
Als het kabinet valt over de beslissing langer in Uruzgan te blijven omdat de PvdA het niet wil – ‘vertraagd vertrekken’ luidt het nieuwe eufemisme – moeten wij het kusje van Verhagen bestuderen om de crisis te kunnen begrijpen.
Waarnemers ter plekke zagen minister Verhagen verloren door de conferentiezalen lopen. In ieder ledemaat dreigden Atlantische reflexen de besturing over te nemen. Toen zag hij haar staan. Clinton. Hillary. Amerika.
Verhagen stelde zich vlakbij haar op, een beetje rechtsachter haar. Een halve minuut staarde hij naar haar wangen. Met een korte, snelle hagedissenbeweging bracht hij daarna zijn gezicht bij dat van Clinton en gaf haar zijn onverwachte kus.
Toen Hillary van de schrik was bekomen en haar wenkbrauwen hun hoogtetop hadden bereikt, kreeg haar blik iets spottends. De meeste mannen krijgen in hun leven wel een paar keer met die blik te maken. De blik vertelt ons dat we ons iets in het hoofd hebben gehaald.
Vanuit Amerikaans perspectief was Hillary’s reactie begrijpelijk. Alles hadden ze die Nederlanders gegeven. Ze mochten het Navo-chefje leveren, meedoen in de G-20, ze werden ontvangen, keer op keer, met open armen, en bij iedere ontvangst hebben de Amerikanen omstandig de ‘Dutch approach’ geprezen.
Maar leveren – ho maar.
En Verhagen, die stond daar maar, hulpeloos zijn kusje na te kijken, gereduceerd, vernederd. Het liefst had hij haar nog veel meer kusjes willen geven, toe nou willen zeggen, ik ben het, Maxime! – en dat alles dan weer als vroeger was.
Met de PvdA in het kabinet zou dat niet gebeuren. Verhagen kneep zijn ogen tot spleetjes, en speurde over de hoofden naar een PvdA’er om zich op af te reageren. Ah, kijk, in de verte, daar had je die klootzak van een Koenders al.
woensdag 3 februari
Misvatting
Ik weet niet zeker of de democratie in haar voegen kraakt, zoals Peter Giesen in de Volkskrant betoogde, maar één opmerking uit zijn essay is me toch wel bijgebleven: mensen denken dat democratie betekent dat volksvertegenwoordigers precies doen wat zij willen, in plaats van belangen af te wegen tegen de achtergrond van het algemeen belang.
Mensen die deze misvatting huldigen, komen relatief vaak naar de verkiezingsbijeenkomsten die dezer weken overal in Den Haag worden georganiseerd. In het buurtcentrum van de volkswijk Vrederust zat een man met een snor. Hij was boos binnengekomen, boos gaan zitten, en is na afloop ook weer boos naar huis gegaan.
Achter een tafel debatteerden lokale politici; hij heeft ze allemaal van repliek gediend. Zijn grootste ergernis betrof de opheffing van een buslijn. Jaren geleden had hij al tegen de gemeente gezegd dat ze die moesten heropenen, maar dat hadden ze nog steeds niet gedaan. ‘Wat dat betreft,’ zei hij, ‘is de gemeente echt afgrijselijk!’
Van de politici had vooral de vertegenwoordiger van Trots op Den Haag hiervoor belangstelling. Arnoud Bakhuizen, een dertiger met witte tanden en heldere ogen. ‘Wij zijn ook klaar met alle beloftes,’ zei hij. ‘Wij gaan daar wat aan doen. Op onze website kunnen mensen aangeven wat de problemen zijn.’ Iemand uit de zaal zei: ‘De problemen zijn bekend.’ ‘Ja,’ zei Arnoud, ‘maar als je wat aan problemen wilt doen, zul je die eerst in kaart moeten brengen.’
Het was dezelfde receptuur als die van de bestuurderskliek waartegen hij zich dacht af te zetten, maar dat had hij niet in de gaten. Je mag iemand natuurlijk geen gebrek aan intelligentie verwijten, het is alleen jammer dat het zo vaak gepaard gaat met een stralend vertrouwen in eigen kracht en kunnen.
Het werd koffiepauze en we spoedden ons – ach jeugd – met consumptiebonnen naar een hoekbar met vrijwilligers. Met een kopje in de hand zagen we hoe Arnoud naar de bromsnor liep en gehurkt naast hem ging zitten. De bromsnor bleef de hele pauze onvrede spuien, en Arnoud ving alles op, bereidwillig als een emmertje.
Vrederust
Tijdens een verkiezingsdebat in het buurtcentrum van de Haagse volkswijk Vrederust heeft de heer G. Verspuij van de lokale PvdA geen eerlijke kans gekregen.
Tegen de achterwand van het zaaltje was voor de deelnemers een lange rij tafels aaneengeschoven. Iedereen zat goed. Voor een afwezige PVV-kandidaat was in het midden zelfs een vrije stoel vrijgehouden – met een enigszins demonstratief naambordje ervoor – maar de heer Verspuij hadden ze het uiterste plekje in de rechterhoek toebedeeld. De man zat half in de gordijnen.
Om het woord te kunnen voeren, moesten de deelnemers wachten tot een van de twee vrijwilligers van het buurthuis hen een loopmicrofoon onder de neus kwam duwen. Ook dat genoegen heeft G. Verspuij nauwelijks mogen smaken. De vrijwilligers hadden vooral aandacht voor de anderen. Soms stonden ze met de rug naar hem toe.
De heer Verspuij zag eruit als een fatsoenlijke man, met rossig, dunner wordend haar, een ruimvallend, beige-achtig colbert, en een felrode PvdA-sjaal om zijn nek. Fatsoenlijk heeft hij zich ook gehouden. Misschien was hij wat beweeglijk, en werd jij soms een beetje rood. Maar slechts één keer verloor hij zijn geduld en konden we hem vanuit zijn donker hoekje een paar keer keihard het woord ‘Onzin!’ horen roepen.
Aan het einde van het debat zat hij met zijn armen over elkaar, en hield hij zijn hoofd gebogen boven een leeggedronken koffiekopje. We wisten niet wat zich inwendig in hem afspeelde. Zelf zouden we op dat moment worden bezocht en geplaagd door buien van haat en zelfhaat, maar misschien had hij vaker met dit bijltje gehakt en keken we nu wel naar een proces van berusting.
Boven zijn hoofd hing een PvdA-verkiezingsbord. Zo’n driehoekig geval dat je aan de gevel van je huis kunt schroeven. Ideaal voor in straten – van welke kant je die ook in komt lopen, je kunt altijd lezen wat erop staat. Boven het hoofd van Verspuij had je er veel minder aan. De bezoekers zaten naar de punt te kijken, en konden gemakkelijk het gevoel krijgen dat er iets te koop stond.
Ik ben toch niet gek
Het was prachtig weer toen ik zaterdag in Groningen de bus nam naar het Centraal Station. Ik ging achter de chauffeur zitten; de hoogste en mooiste zitplaats in de bus. Je hebt de hele voorruit voor jezelf.
Het was druk in de stad. Overal stonden auto’s. Overal reden auto’s. Uit elke zijweg probeerden auto’s te komen. Ik had nog nooit zoiets gezien.
‘Het zijn BTW-vrije dagen in de Mediamarkt,’ zei de chauffeur. ‘De stad is de hele dag al totaal ontwricht. Niemand kan een kant op.’
Ik roep in herinnering dat ik in een winkel ben opgegroeid. Ik heb gezien wat korting met mensen doet. Zij zijn tot alles bereid om iets te pakken te kunnen krijgen waar korting op zit. Het is niet het product waar zij zichzelf voor op het spel zetten, maar het verschil tussen de oorspronkelijke en de nieuwe prijs; het niets dus eigenlijk.
Op het Zuiderdiep werd nog beter zichtbaar hoe nijpend de situatie was. Alle kruispunten waren bezet, alle zij- en toegangswegen stonden vol. Velen waren tegen het verkeer ingereden, omdat zij in hun paniek de aanwijzingen van het navigatiesysteem blindelings hadden opgevolgd.
Normaal heb je last van ze. Als je wilt wandelen en het is koopzondag. Als je met de trein moet en ze hebben in het kader van de Boekenweek gratis treinkaartjes uitgedeeld. Vandaag hadden ze zichzelf te pakken, elkaar, in een verrukkelijk verkeersinfarct.
Vanaf mijn hoge positie kon ik in de auto’s kijken: vrijetijdstruien, paniek, ruzie, ergernis, het huwelijk, live. Ik stelde me de situatie in de parkeergarages voor, de Haïtiaanse taferelen in de Mediamarkt, en voelde mij ontspannen en gelukkig; ik had niet voor niets gehaat.
‘Gisteren moest ik even in de Mediamarkt zijn,’ zei de chauffeur. ‘Er liggen daar stofzuigers die wij vier jaar geleden al hebben gekocht.’ Ik boog naar hem toe: ‘De Mediamarkt moet van zijn oude troep af.’
Via de achteruitkijkspiegel genoten wij een kort moment van verstandhouding. Daarna reed hij de bus over een vrije busbaan glorieus naar het Centraal Station.
vrijdag 29 januari
Symbolisch
Ten behoeve van de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen is het lokale CDA in Den Haag een ‘burgerinitiatief’ tegen coffeeshops begonnen, en de overlast die zij verondersteld worden te geven, met handtekeningen en acties.
Ik dacht altijd dat burgerinitiatieven door burgers geïnitieerd moesten worden om burgerinitiatief te kunnen heten, maar dat zal aan mij liggen.
Waarom het CDA zo bang is voor coffeeshops werd deze week tijdens een debat verwoord door het kandidaatsraadslid Van Vroonhoven: ‘De overlast. Het rondhangen. Portieken. Ze zijn onder invloed, ze dealen.’ Ze hield een denkpauze, daarna had ze het gevonden: ‘Oude mensen zijn er bang voor!’
Er waren geen burgers aanwezig op het nieuwbouwplein in de Vinexwijk Ypenburg toen het CDA daar in het kader van het burgerinitiatief op een grijze middag een coffeeshop ging sluiten. Symbolisch, want coffeeshops waren er in Ypenburg ook niet. Ja, als je zei dat het nergens op sloeg, zat je er niet ver naast.
In het midden van het plein was een tent opgezet. Twee meter hoog, paar meter omtrek – zo’n ding dat je aan alle kanten kunt openlaten, maar ook helemaal rondom kunt dichtritsen. Gebruikers laten het gewoonlijk afhangen van de kracht en richting van de wind.
Aan de buitenzijde van de tent waren camouflagenetten aangebracht, en posters van cannabisplanten, zodat de burgers – die er niet waren – onmiddellijk in de gaten hadden dat de tent een coffeeshop moest voorstellen, en desgewenst ook meteen het initiatief konden nemen tot het ervaren van overlast.
Voor de symbolische sluiting was minister Klink gestrikt. Gehuld in een CDA-windjack ritste hij met zijn rechterhand een laatste flapje van de tent dicht, een handeling waarbij hij zijn linkerarm en linkeronderbeen een beetje van zich duwde, en zich tegelijkertijd opengedraaid hield voor een CDA-fotograaf.
Toen was de symbolische sluiting verricht en konden de lokale CDA’ers beginnen met de tent afbreken en het plein weer schoon, heel en veilig achter te laten voor de burgers van Den Haag.
donderdag 28 januari
Jeltje
Er was een debat gaande over de Haagse gemeenteraadsverkiezingen, en Jeltje van Nieuwenhoven deed er als PvdA-lijsttrekster aan mee. Ze had net iets doms gezegd, iedereen moest lachen, maar dat kon haar niet schelen. Ze keek integendeel alsof er nog wel meer dommigheden zouden volgen ook.
‘Meedoen moet je zelf doen,’ had ze gezegd. ‘Meetellen moet je ook zelf doen. Het verschil is dat de gemeente moet zorgen dat je meetelt, zodat je zelf ook daadwerkelijk mee kunt doen.’
Terwijl de concurrerende politici lachten om zoveel vervlogen logica, bleef Jeltje met vrolijke ogen de zaal inkijken. De dubbele woordwaarde van plezier: wie plezier heeft, komt plezierig over.
‘Ik wil het wel even uitleggen,’ zei ze, en begon over het gescheiden zwemmen. Eerst werden allochtone vrouwen in de gelegenheid gesteld om zonder mannen te leren zwemmen omdat het goed was voor de integratie. Nu is hen die mogelijkheid gemeentewege ontnomen omdat het slecht is voor de integratie.
De argumenten voor beide opstellingen mag u er zelf bij bedenken. Opvattingen zijn als kleren of kapsels – ieder decennium denk je weer opnieuw dat je goed zit.
Misschien had Jeltje hier een punt: ‘Ik denk dat een paar partijen vlak voor de verkiezingen even wilden laten zien hoe flink ze zijn.’ Het gescheiden zwemmen is een van de meest heikele verkiezingsthema’s in Den Haag. Als je niet weet wat het woord ‘prangend’ betekend, moet je het gescheiden zwemmen even ter sprake brengen bij een Haags politicus.
Probleem was dat de PvdA ook tegen het gescheiden zwemmen had gestemd en Jeltjes’ concurrenten haar opnieuw uit konden lachen – ze was al niet van deze tijd, en nu viel ze haar eigen partij nog af ook.
Opnieuw bleef Jeltje vrolijk en rustig het zaaltje inkijken. Het kon haar niet schelen wie wat over wat dan ook dacht. Los van het integratiebevorderende of –bedervende gespetter in zwembad De Houtzagerij nam me dit voor haar in. Ze wachtte tot iedereen was uitgelachen. Daarna zei ze: ‘Wat zijn we toch trots op Den Haag dat we die twee uurtjes per week met zijn allen hebben afgeschaft.’
woensdag 27 januari
Posters
Voorafgaand aan een verkiezingsdebat tussen hooggeplaatste vrouwen op de lijsten van lokale partijen in café De Haagsche Kluis kon je een paar VVD’ers pogingen zien doen de volgende verkiezingsposter aan een muur te bevestigen: ‘Vandalen gaan betalen’.
Van de Haagse VVD zijn de komende weken ook nog andere teksten in het straatbeeld te verwachten. Deze bijvoorbeeld: ‘Voortaan iedereen die straf verdient straf’. Het zijn doortastende leuzen, geschreven door mensen voor wie het eindelijk eens afgelopen moet zijn.
De VVD’ers kregen het ding niet aan de muur. Besloten werd een halve meter op te schuiven, en de ‘Vandalen gaan betalen’-poster op een kunstwerk aan brengen, een levensgrote foto op doek, voorstellende een jonge vrouw met hoog haar en wit korset.
In het zaaltje stonden we elkaar toen al even ongelovig aan te stoten – ze gaan dat toch niet echt doen hè, toch niet met punaises? Ze deden het wel. Met plakband, maar toch – soms is ironie zo ironisch dat de lol er bijna afgaat.
We kunnen trouwens nog niet veel zeggen over de posters die andere partijen de komende weken aan het straatbeeld toe gaan voegen. Het CDA verspreidt voorlopig vooral buttons en sjaals in de fluorescerend groene kleur van de christendemocratie. Van de andere partijen nog geen verkiezingsposter gezien.
Alleen D66 – die hebben wel een poster. ‘Anders. Ja. D66’, staat erop, en dat mogen we ingewikkeld vinden, abstract ook wel, en iets te zeer geinspireerd op de veranderingsboodschap van Obama. De posters komen ook in gemeenten waarin D66 in het college zit, maar goed – een kniesoor die daarop let.
Tijdens het debat werd de ‘Vandalen gaan betalen’-poster op het kunstwerk door de VVD even zelf ter sprake gebracht. Met opgestoken wijsvinger zei Iris Michels-Spee: ‘Toen wij onze poster vanavond ophingen, hoorde ik al mensen gillen dat wij “cultuurbarbaren” zijn. Dan denk ik: “Ho! Is vandalisme tegenwoordig ook al cultuur?”’
Het laat zich raden wat de anderen daarop te zeggen hadden. Ter verdediging van mevrouw Michels-Spee willen we gezegd hebben dat zij, eenmaal met haar onhandigheid geconfronteerd, hartelijk om het vernielde kunstwerk en zichzelf kon lachen.
Nootjes
In een zaaltje aan de Haagse Uilebomen voorzag de lokale afdeling van D66 de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van een feestelijke aftrap. De gasten kwamen modern en verstandig over, maar ook weer niet zo modern en verstandig dat het vervelend werd.
Zoals vaker waren ook hier op statafels schalen gemengde nootjes neergezet, die allemaal dezelfde kleur en smaak hadden aangenomen van een gelig, Oosters kruidenmengsel. Als liefhebber van het gemengde nootje is dat kruidenmengsel mij een doorn in het oog.
Bij zulke schaaltjes schijnen mannen te horen die je iets over hun werk vertellen terwijl ze die nootjes zonder veel passie naar binnen werken. In dit geval was dat de lokale D66-campagnecoordinator, een veertiger met bril en jasje van velours.
De man, ik ben zijn naam vergeten, we noemen hem Egbert – Egbert ergerde zich groen en geel aan een filmpje op de website van de lokale VVD. Daarin hadden ze de boel zo verknipt en verdraaid dat het net leek alsof D66 er in de gemeenteraad voor had gepleit om overlastgevende coffeeshops naar wijken te sturen waar ze nu nog geen coffeeshops hadden.
Hoe ze van de VVD dat sinistere montagewerk precies hebben uitgevoerd, kunnen we niet zeggen. We hebben thuis even naar het filmpje gekeken, en het lijkt er inderdaad precies op dat de nummer twee van D66 er in de gemeenteraad voor pleit om coffeeshops naar wijken te brengen waar ze nu nog geen coffeeshops hebben.
Met de kaken stevig opeen geklemd verkondigde Egbert dat hij niet op de provocatie ging reageren. Het onderwerp werd er alleen maar groter van – je speelde de concurrentie er alleen maar mee in de kaart. Dat de VVD het op D66 had gemunt, en de PvdA trouwens net zo goed, kwam alleen maar omdat bij D66 iets te halen viel.
Hierna keek Egbert, net als vermoedelijk alle andere mannen bij schaaltjes gemengde nootjes in de zaal, over mijn schouder, terwijl hij even plichtmatig naar mijn bezigheden informeerde – ‘En wat doe jij zoal?’ Het is dan wel leuk als je kunt zeggen: ‘Ik schrijf lullige stukjes over mensen in de lokale politiek, zoal, Egbert.’
maandag 25 januari
Onderhoud
Als ik op een hoge positie bij ABN/Amro was aangenomen, zouden Gerrit Zalm en ik het snel eens zijn over mijn salaris. Met bonussen is op zich niets mis, zouden we vinden. Waar we alleen even naar moesten kijken, is of die bonussen mij wel tot het juiste gedrag zouden prikkelen, en niet bijvoorbeeld tot het verkeerde.
We zouden tevreden afscheid nemen, maar bij de deur zou ik me toch nog even omdraaien. ‘Gerrit,’ zou ik zeggen. ‘Gaat alles eigenlijk wel een beetje goed?’
Van Zalm zouden we de bekende taferelen zien. Ellebogen van tafel, ellebogen erop. Vingers in elkaar, vingers uit elkaar. Zijn ogen zouden springerig aan mijn blik proberen te ontsnappen, maar daar ook steeds weer even naar terugkeren. Er zijn nu eenmaal weinig vormen van belangstelling waarin we niet zijn geïnteresseerd.
‘Ik zag je vorige week bij de verhoren van de Tijdelijke Commissie Onderzoek Financieel Stelsel,’ zou ik zeggen, terwijl ik opnieuw plaatsnam. ‘Het viel me lang niet mee. Zelden iemand gezien die zich zo ongemakkelijk voelt. Terwijl, nou ja: zo moeilijk waren die vragen niet natuurlijk.’
‘Die ademhaling van jou,’ zou ik na een korte pauze zeggen, ‘heeft dringend onderhoud nodig. Je blijft maar inademen, al zit je vol tot aan het strottenhoofd. Op die manier is zuurstof net vergif. De mensen denken: en er zit al zoveel zuurstof in die bankier.’
Hierna zou ik de spanning laten varen en overschakelen op iets luchtigers: ‘Dat Dion Graus van de PVV ook in die commissie zit: de gewone mensen willen overal over meepraten, en het resultaat is dat ze er iemand bij hebben die meeluisteren al moeilijk vindt.’
Bij het opstaan zou ik zeggen: ‘Het horloge van Jan Schinkelshoek van het CDA gezien? Dat grote, brede, vierkante, glimmende ding? Een sieraad voor de damespols – ik kan niet anders zeggen.’
Daarna zou ik bonussen en prikkels meenemen naar buiten en Gerrit na een knipoog met zichzelf en zijn gedachten achterlaten. De volgende dag schoof ik dan een folder van een yoga-studio onder zijn deur door, gewoon, vriendschappelijk, en me vast verheugend in een heel andere bankier.
vrijdag 22 januari
Burger King
Bij Burger King verkopen ze vlees van dieren die helemaal niet netjes zijn behandeld, maar het was al laat, half tien, er was genoeg gedronken, en onderweg naar huis waren alle restaurants gesloten.
Binnen rook het naar poep. Dat was de vorige keer ook al zo. De techniek staat voor niets. Als ze willen, kunnen ze het naar bloemetjes laten ruiken, maar die keuze hebben ze bij de Burger King dus niet gemaakt.
Oppassende burgers zouden overigens niet gedwongen mogen worden in een poeplucht het woord ‘Whopper’ uit te spreken.
De bestelling was gedaan, ik deed een paar stappen opzij, en herkende in de volgende klant een belangrijk politiek assistent. De belangrijke politiek assistent was niet opvallend slank. Laten we het erop houden dat hij het risico liep bij de KLM voortaan twee stoelen voor zichzelf te moeten reserveren.
Over de vraag of het moreel juist is dat de KLM dikke mensen voortaan dubbele stoelen laat reserveren en betalen, kun je vermoedelijk pas oordelen wanneer je in een vliegtuig bezig bent je achterwerk tussen twee armleuningen te wringen. Wrikken, duwen – en iedereen maar wachten en hoofdschuddend naar je warme geworstel kijken.
En als je eindelijk zit, als het eindelijk is gelukt, dringt tot je door dat je leeftocht en tijdschriften in het bagagerek hebt gelegd, en die niet gaat durven pakken.
Het mag duidelijk zijn: we hebben enigszins met dikke mensen te doen. Het is niet mooi om dik te zijn, en ook niet erg gemakkelijk. Alle stoelen en porties zijn klein. De omvang van je verslaving is door iedereen in kilo’s van je af te tellen. Eten is troost. Zoet, vet, kauwen – even is de wereld goed.
Ik gunde het de politiek assistent dan ook niet dat hij mij met een schokje moest herkennen. Even keek hij zenuwachtig om zich heen, maar het betrappen had zich al voltrokken, daar viel nu niet meer aan te ontkomen. Toen hij zich dat realiseerde, begon hij mij ongevaarlijk aan te kijken en probeerde hij voorzichtig: ‘Heb jij je lunch vandaag ook overgeslagen?’
donderdag 21 januari
Haïti
Wie zijn toch al die bewogen en geroerde vrouwen die me al de hele week in televisiespotjes proberen aan te sporen een bedrag over te maken op Giro 555?
Bekende Nederlanders. Denk ik.
Als de aardbeving op Haïti iets laat zien, is het dat we geen sterren meer hebben in Nederland. Alleen vrouwen met borsten die de indruk wekken dat ze te vroeg van de toneelschool zijn gegaan, en denken dat janken ontroering in de huiskamer brengt.
Vroeger. Ach. Toen hadden we nog sterren. Ze glommen, blonken, ze werden door iedereen herkend. Op bezoek bij de opnames van het programma Sterrenslag constateerde een verslaggever van de VARA-gids enkele jaren geleden al: ‘De sterren zijn te herkennen aan de rode hesjes.’
Een paar maanden geleden beklaagde een dakloze op een daklozendag zich op televisie tegen een jonge vrouw: ‘Er zou vandaag toch een Bekende Nederlander komen?’ De jonge vrouw: ‘Dat ben ik. Ik ben de bekende Nederlander.’
Er is trouwens iets onsmakelijks aan de snelheid waarmee Haïtiaanse adoptiekinderen de afgelopen dagen ons land zijn ingevlogen. De kinderen waren sneller hier dan de hulpgoederen daar.
Even ging over de versnelde adoptieregeling van minister Hirsch Ballin in de media deze week een kleine wenkbrauw omhoog, maar toen hebben ze een paar van die schattige kindertjes voor de camera omhoog gehouden en is de stemming radicaal omgeslagen.
In Nova maakte een verslaggever van het woord ‘enorm’ het langste woord dat ik in mijn leven heb gehoord. Tegen een adoptiedeskundige: ‘Dit moet enóórm emotioneel zijn.’ De adoptiedeskundige knikte: ‘Dit is enóórm emotioneel.’
Zo’n aardbeving is goed voor jonge vrouwen met borsten en ambities, en ook wel voor ouders die jaren moeten wachten op een adoptiekind, maar verder?
Correspondent Willem Lust is op Haïti. Op de televisie zei hij deze week: ‘Als ze je gids kunnen worden, of je chauffeur, ja, dan komen ze wel in beweging, maar in de stad doen ze niet veel, en maken ze een apathische indruk.’
Dus het zijn eigenlijk nog rotmensen ook.
Vlekken
Terwijl staatssecretaris Jack de Vries van Defensie ter inleiding van een politiek café in een Haags zaaltje Defensie als waardevol omschreef, worstelde ik inwendig met iets wat we een tweesporenbeleid moeten noemen.
Ik wilde dingen beschrijven, en dingen vragen. Dat gaat niet samen. Wie de werkelijkheid wil beschrijven, moet er met zijn vingers vanaf blijven.
De Vries zat goed in zijn vel. De Vries zit zo vaak goed in zijn vel – een mens krabt zich ervan achter de oren.
Iemand uit het publiek wilde weten waarom Balkenende na de presentatie van het rapport-Davids zijn gemak niet had gehouden.
De Vries legde uit dat zoiets in ‘een mediacratie’ gelijk stond aan de oppositie de gelegenheid geven het onderwerp te ‘primen’ en ‘framen’ – een negatief beeld van Balkenende in het collectieve geheugen te etsen. Daarom had hij Balkenende geadviseerd meteen te reageren. Daarom had Balkenende meteen gereageerd.
Domme kracht ook eigenlijk, Balkenende.
Het advies pakte niet goed uit. De PvdA werd boos, bijna viel het kabinet. Dit gaf De Vries ruiterlijk en innemend toe: ‘Verkeerd advies van De Vries.’
Hij had Balkenende dus gezegd zo snel mogelijk te reageren – maar had hij hem ook geadviseerd de conclusies van Davids zo bot mogelijk te ontkennen?
Vanaf het moment dat er crisis dreigde, konden we De Vries een uurtje of 30 achtereen tussen de journalisten zien spinnen en kronkelen. Tegen iedereen zei hij dat zijn strategie niet succesvol was geweest. Dit kon ook weer strategisch zijn, want hoe verhield dit zich eigenlijk met de eerste voorlichterswet van De Vries: wrijf niet in vlekken, kom nooit terug op dingen die niet goed zijn gegaan?
Vragen, vragen, en geen antwoorden – we worstelden net zo lang met ons tweesporenbeleid tot we geen vragen meer mochten stellen.
Na afloop drukte De Vries mij even ferm en vrolijk de hand. Dat had hij me bij binnenkomst ook al geflikt. Toeschouwertje was ook figuurlijk gezien. Het tweesporenbeleid was een slecht beleid. Wat dat betreft was het niet vreemd geweest als we De Vries voor de derde keer die avond even ferm en vrolijk de hand hadden geschud.
maandag 18 januari
Sorry
In het ‘Gesprek met de minister-president’ begon Pim van Galen vrijdagavond op de televisie iedere vraag aan Balkenende met het woord ‘sorry’.
Misschien was hij moegestreden. Ook voor de verslaggevers van de publieke omroep was het een roerige week. Ze hadden zich met zijn allen op het crisisnieuws gestort, zakelijk georganiseerd, hiërarchisch. Na afloop stond geen emotie meer overeind.
Onderaan in de hiërarchie stonden de jongens en meisjes in de kou bij Balkenende’s ministerie te dringen. Zodra een minister naar buiten kwam, informeerden zij zonder dralen naar diens gevoelens. Hoe ervaart u dit? Hebt u nog vertrouwen? Hoe voelt u zich?
Op enkele meters afstand stond een nieuwsduider opgesteld. Iemand met ervaring – het begrijpen komt met de jaren. Tot voor kort was dit Bram Schilham, maar die heeft een akkefietje gehad. Hij zou presentator worden, een stapje mogen maken. Toen dat niet doorging, is ter compensatie een nieuwe functie voor hem bedacht. We vrezen dat we de speciale klimaatcorrespondent nog vaak voor het zappen uit een vliegtuig zullen zien stappen.
De nieuwe nieuwsduider heet Dominique van der Heyde. Zij is erg verguld met de nieuwe taak. Dagenlang mocht ze in elk Journaal haar visie op de gebeurtenissen geven. Het was wel zo dat die visie elk uur precies hetzelfde was. ‘De emoties lopen hoog op,’ is het enige dat we haar hoorden zeggen. ‘De emoties lopen hoog op.’
We dachten aan Margriet Brandsma, die andere duider van de NOS, intussen Duitsland-correspondent. Toen zich enkele jaren geleden ook eens tientallen journalisten voor een spannende Haagse deur verdrongen, was Brandsma als de kippen ter plekke. Met grote ogen zei ze in het Journaal: ‘We weten niet wat er binnen gebeurt!’
Nog een paar meter verder van het strijdgewoel verwijderd kon je Ferry Mingelen op en neer zien lopen, met lange benen, zonder de knieën te buigen, één hand aan de riem, een grijns op het gezicht. Als je zo tevreden mag ijsberen, heb je de top van de hiërarchie bereikt. Dan ben je zo hoog dat je sorry mag zeggen tegen de premier.
vrijdag 15 januari
Opkikker
Vanaf half tien ‘s ochtends was er in het ministerie van Balkenende crisisoverleg met Bos en Rouvoet, en vanaf dat moment werd het pleintje voor dat ministerie bevolkt door enkele tientallen verslaggevers, cameramensen en fotografen.
Het duurde ongeveer een uur voordat de kou zich door je schoenzolen had gevreten en aan je doorzettingsvermogen begon. Niet iedereen was op de omstandigheden voorbereid, maar die aardige fotograaf van de GPD zag eruit alsof hem niets kon gebeuren. Grote schoenen, muts met oorflappen, goed humeur.
We moeten eerlijk zijn: er had zich een tintelend genoegen van de journalisten meester gemaakt. Een crisis is vermoedelijk altijd leuk, deze had iets speciaals: daar ging hij, Balkenende, daar zou hij eindelijk gaan.
‘s Nachts zou het sprankje worden gesmoord in politiek en taal en konden we dof naar huis, maar dat wisten we toen nog niet.
Het werd tien uur, elf uur. Heel af en toe zag iemand beweging in de hal. Een troep journalisten is snel in opperste staat van paraatheid te brengen. Vooral de aardige GPD-fotograaf was scherp – hij stond iedere keer als eerste vooraan.
Het werd twaalf uur, een uur. De verhalen over wat zich binnen moest afspelen werden sterker – het ging daar helemaal niet goed.
Tussen een en twee kwamen Bos en Rouvoet dan eindelijk naar buiten. Ik had wel eens eerder een kluwen journalisten zich aan politici zien opdringen, aan Verdonk bijvoorbeeld, Wilders in de Fitna-tijd, maar de intensiteit waarmee het nu gebeurde, was nieuw. Je voeten maakten niet de hele tijd contact met de grond.
Bos en Rouvoet liepen door – het journaille vloog er achteraan. Vijf seconden later was het plein leeg. Ik stond er nog, twee of drie agenten. Toen kon je van een afstandje de aardige GPD-fotograaf aan zien komen lopen, koffiekan in de ene hand, plastic bekertjes in de andere. Hij had voor iedereen gehaald.
Hij kwam vlak naast me staan. Samen keken we een minuutje zwijgend over het lege plein. Hij gaf een bekertje, schonk in. Het bleek lekkere koffie te zijn, lekker warm ook. Je kikkerde er helemaal van op.
donderdag 14 januari
Trui
Wat zei Pechthold nou precies toen hij maandagavond op een besneeuwde buitenlocatie over het rapport-Davids voorbeschouwend werd geinterviewd in het Journaal?
Hij droeg een trui, dat weet ik nog wel. Het was een bijzondere trui, heel warm en dik, bijzonder van motief ook, met een ritsje in de licht opstaande kraag. Pechtold keek erbij alsof de trui hem inwendig niet bewoog. Hij keek alsof het hem om de inhoud ging, niet om de vorm. Daar hadden wij een ander beeld bij.
Soms kom je een man tegen die je al een tijdje kent. Ineens draagt hij een enorme warme trui. Ik denk dan altijd dat ze die van hun vrouw hebben gekregen. Zo gaat het bij mij tenminste. Iedere keer als een vrouw het met mij uitmaakt, ontdoe ik mij onmiddellijk van alle warme truien die ik van haar gekregen heb.
De liefde ben je kwijt, maar die truien ook.
Vorig jaar kreeg ik van mijn vriendin een gevaarte van een groene trui, met rits en dikke kraag. Marco Borsato kon zich er zo in tegen een Ierse rotswand laten fotograferen, zichzelf omarmend, en met blote voeten, dat heb ik ook nooit begrepen. De voering was van een soort gladde kunststof, zodat de trui bij elke beweging geluidjes maakte. Woosh-woosh. Woosh-woosh.
Toen ik vroeg waarom ze mij toch zo graag in warme truien zag, kantelde haar gezicht en begon zij een beetje verliefd naar mij te kijken. Ik had al vlug in de gaten dat die blik niet mij gold, maar de warme trui die zich in haar verbeelding om mijn schouders sloot.
Ik heb het even voor u nagevraagd, maar in de kwestie-Pechtold speelde zijn vrouw geen enkele rol. Ze was er niet, die bewuste maandag. Pechtold heeft de trui zelfstandig uitgekozen. Hij moet hem mooi hebben gevonden, hij moet hebben gedacht dat de trui hem prima stond.
Maar wat zei hij nou in het Journaal?
Na het interview ontving Pechtold veel sms-jes. ‘Had je nou een trui aan?’ ‘Spannend motief.’ ‘Mooie trui, nieuw?’
Later bij RTL Nieuws droeg hij een overhemd.
dinsdag 12 januari
Brandweerauto
Het mooist aan het onderzoek naar burgemeester Leers en zijn ongelukkige investering in een villaatje in Byala was de brandweerauto die hij zijn Bulgaarse ambtgenoot had beloofd. Leers zei dat hij die brandweerauto niet als burgemeester had beloofd, maar als privépersoon.
Het is ook niet altijd gemakkelijk om privé en werk te scheiden – je zit snel in grijs gebied. Balkenende die merkt dat zijn vrienden in de vee-industrie last hebben van Europese natuurregels en als premier de voorzitter van de Europese Commissie vraagt die regels te versoepelen – niet zo goed. Balkenende die ziet dat hij zijn eigen stoep niet sneeuwvrij heeft gemaakt en de Nederlanders als premier vraagt de stoep te vegen – al ietsje beter.
We hebben trouwens ook zo maar het vermoeden dat vanochtend na de presentatie van het rapport van de commissie-Davids, die de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in Irak onderzocht, een paar vrolijke brandweerauto’s naar buiten komen rijden.
Nadat Balkenende de Amerikanen steun aan de oorlog had beloofd, werd De Hoop Scheffer secretaris-generaal van de NAVO. Als dat geen brandweerauto is, moeten Balkenende en De Hoop Scheffer president Bush in 2003 als privépersonen hebben bezocht.
Over het algemeen zijn onderzoekscommissies mild. Hoewel we nog niet eerder privépersonen brandweerauto’s zagen uitdelen, vond de commissie dat Leers alleen ‘de schijn van belangenverstrengeling had gewekt’.
Het meest vrezen kabinetsleden dan ook ‘het ongecontroleerde mediabeeld’ dat vandaag zal kunnen ontstaan. Balkenende mocht het rapport van de commissie Davids vooraf niet inzien, en kon dus ook nog niet alvast beginnen met spinnen en afspraken maken met de NOS.
Mocht er toch een ongecontroleerd mediabeeld ontstaan, is er nog niets aan de hand. Na het onderzoek naar de Schiphol-brand is het ook gebeurd. De privépersoon die in het detentiecentrum achteloos een peukje in de prullenbak had gegooid, werd weliswaar na acht maanden isoleercel het land uitgekieperd, de ministers Dekker en Donner hoefden maar even hun officiële functies neer te leggen.
Die Bulgaren kunnen die brandweerauto intussen trouwens op hun buik schrijven. Als je niet in staat bent even een privé-investering vlot te trekken, blus je ook je eigen brandjes maar.
maandag 11 januari
Muppie
In Groningen en Drenthe werd het nieuws de afgelopen weken gedomineerd door een kat die op Oudejaarsdag een rotje in het kontje gestopt had gekregen.
Ik vond het ook zielig voor die mevrouw uit Klazienaveen die de ontplofte kat gevonden had en op de voorpagina van het Dagblad van het Noorden stond. Volgens de krant was zij èn ‘heel verdrietig’, èn ‘heel boos’.
Ook Culemborg drong door – zo Gronings zijn we ook weer niet. Ik verwacht niet dat de Molukkers, de Marokkanen van mijn jeugd, het ooit nog zullen afleren om het voor Nederlanders op te nemen.
En dan had je nog de undercoveroperatie bij de PVV door een verslaggeefster van HP/De Tijd. Sinds ik de eerste regel van haar artikel las – ‘Ik had hem kunnen doden.’ – spookt door mijn hoofd wat ik allemaal met haar had kunnen doen. Ik had haar kunnen neuken, bijvoorbeeld. Maar dat is achteraf.
Ze had wel gelijk: de beveiliging in de Tweede Kamer stelt weinig voor. Ik wist dat al een tijdje, maar dacht: van mij zullen de terroristen het niet horen. Nu kan ik wel zeggen dat ik dinsdags om 13.55 uur naar de Tweede Kamer loop. U hoeft mij maar neer te knuppelen, mijn pas af te nemen, en u schiet zo uw magazijnen leeg in het parlement. Als u het netjes vraagt, kunt u het pasje trouwens ook wel krijgen.
Donderdag opende het Dagblad van het Noorden met het bericht dat de eigenaren van de kat zich hadden gemeld. Volgens de krant was Oriëta de Groote ‘vooral heel verdrietig’ en Jeroen Potters ‘vooral heel boos’. Zij hadden de emoties onderling kunnen verdelen, die mevrouw uit Klazienaveen kon alles in haar eentje doen.
Tegen de kinderen hadden Oriëta en Jeroen gezegd dat ‘Muppie per ongeluk tegen vuurwerk was aangelopen’. Ze hadden er niet bij gezegd met welke kant Muppie precies tegen vuurwerk was gelopen, en dat vond ik verstandig. Nu geloven ze alles nog, maar als kinderen ouder worden, gaan ze dingen toch toevallig vinden.
Muppie. Ik wist natuurlijk niet hoe het Dagblad erover dacht, maar ik vind: zo ga je niet met dieren om.


