Peter Middendorp

maandag 8 maart
Vernederen

Tijdens het verkiezingsdebat in EenVandaag stonden Wouter Bos en Geert Wilders vorige week opvallend dicht op elkaar. Dat was vreemd, een regiefoutje misschien; tijdens het debatteren hebben de heren elkaars tanden kunnen ruiken.

Altijd als Wilders verbaal ten strijde trekt, heeft hij teksten bij zich die door het PVV-Kamerlid Martin Bosma zijn geschreven. De teksten van Bosma onderscheiden zich door het veelvuldig gebruik van relatief eenvoudige retorische trucs. Hij rijmt graag en laat geen kans op een woordspeling onbenut.

De samenwerking van Bosma en Wilders heeft tot gevolg dat je de laatste op televisie van zeer dichtbij in het gezicht van Wouter Bos kon horen schreeuwen dat de PvdA de Partij van de Arabieren is, en het hoofdkantoor ervan in Mekka staat. De inhoud is misschien van Bosma, het volume is authentiek.

Er bestaat een aantal mensen dat de taalvondsten van Bosma waardeert. De belangrijkste vertegenwoordiger daarvan is Bosma zelf. Als Wilders in de Kamer achter het spreekgestoelte staat te allitereren, kun je Bosma op zijn zetel warm zien wegzakken in zichzelf, spinnend, kirrend, sidderend van genot.

Zelf zou ik het enigszins vernederend vinden als iemand kwalitatief laagstaande teksten in mijn gezicht zou schreeuwen. Ik weet niet of ik de spreker een duw zou geven, of een schop tegen de schenen, ik weet alleen dat ik niet zo rustig zou blijven als Wouter Bos.

Opvallender nog dan de reactie van Bos was het te zien hoe Wilders op zijn eigen woordenstromen reageerde. Die maakten hem niet kalm, het schreeuwen luchtte hem helemaal niet op. Hij schreeuwde door, en bleef daar ook een beetje apart bij uit de ogen kijken; om het woord ‘vies’ maar even te vermijden.

Wilders is niet in staat lucht te geven aan zijn woede, hoeveel lucht hij ook aan zijn woede geeft. Zijn verlangen naar vernederen is onstilbaar. Er zal geen moment komen dat hij zich voldaan op iets anders richt. De dood of de gladiolen, is het gevoel dat je eraan overhoudt. En dat het vermoedelijk geen gladiolen zullen worden.

 

vrijdag 5 maart 
Opgeruimd

Enkele uren voordat de uitslagen zouden binnenkomen en analytici in sombere voorspellingen zouden vervallen, liep ik in Den Haag Hero Brinkman (PVV) tegen het lijf.

‘Heb je al een indicatie?’ vroeg ik.

‘We moeten niet te vroeg juichen,’ zei hij. ‘We moeten nederig zijn, keihard blijven werken. Zelf maak ik zo’n honderd uur per week.’

‘Dat zei Balkenende laatste ook,’ zei ik. ‘Honderd uur per week klinkt wel stoer, maar volgens mij heb je dan geen tijd meer voor reflectie. We worden bestuurd door mensen die alleen hun voorhoofd gebruiken.’

‘Reflectie,’ zei Hero. ‘Dat deed ik altijd met jou aan de bar van Nieuwspoort. Maar helaas.’

Hij lachte, ik lachte. Het was een leuke grap. Overal waren de mensen somber over de verdeeldheid van het land, maar wij hadden iets te vieren. Hero ging winnen in Den Haag en Almere, en ik had de formatie rond. In mijn grote vrolijke coalitie doet iedereen precies datgene waar hij een grote mond over heeft:
        D66 hervormt woningmarkt en onderwijs, VVD lost de files op en veegt straten en woestijnen schoon, PvdA doet sociaal met moslims en wijken, GroenLinks verduurzaamt landbouw en economie. Christen erbij voor het evenwicht, Femke premier – en klaar ben je met je gidsland.

Het enige probleem vormde de man die voor me stond. Ik had geen rekening gehouden met Hero, maar de vraag was hoe erg dat was, en ook in hoeverre hij in zijn plannen wel plek voor mij had ingeruimd.

De mensen en partijen moesten met elkaar omgaan zoals Hero en ik, dacht ik. Hij moet mijn gedachten niet, ik de zijne evenmin. De antipathie was zo perfect wederkerig  dat je de boel tegen elkaar kon wegstrepen en op nul uitkwam; een opgeruimde nul.

Ik wenste hem succes, we namen afscheid met opgestoken duimen. Zeuren aan de zijlijn – dat lag voor ons in het verschiet. Daar was niets mis mee, dat had een functie. Samen zeuren aan de zijlijn allitereerde niet voor niets, samen zeuren aan de zijlijn is gezond.

 


donderdag 4 maart
Spannende tijden

Ik kan dezer dagen mijn huis niet uitlopen of ik wordt wel staande gehouden door een journalist, voorlichter of fotograaf. ‘Ja, tja,’ wordt telkens tegen mij gezegd, ‘voor jou is dit natuurlijk hartstikke leuk.’

 

Hierna wordt een vlakke, open hand tussen onze buiken in de lucht geplaatst, en wendt de blik van de tegenspreker zich optisch over mijn schouder naar een verte, maar feitelijk gaat ie naar binnen, waar de politieke analyses zich hebben opgehoopt.

Wat niet wordt gezegd, maar wel degelijk wordt uitgesproken, al is het dan zonder woorden, zijn de volgende regels: ‘Maar voor het land is het natuurlijk verschrikkelijk. Voor de politiek is het desastreus. Voor het vertrouwen van de burger is dit fnuikend.’

De vraag luidt hoeveel verkeerde aannames in een alledaags gesprekje aanvaardbaar zijn. De vraag is ook hoeveel verkeerde aannames je in zo’n gesprek mag terugredeneren voordat dit als onfatsoenlijk wordt ervaren. Hoe origineler mensen uit hun ogen kijken als ze de halve wereldbevolking citeren, des te sneller zijn ze beledigd.           

Ik begrijp niet waarom zulke dingen steeds opnieuw worden gezegd. Ik denk dat ze het zelf zo spannend vinden om elke dag naar hetzelfde gespetter van dezelfde mensen in hetzelfde badje te kijken dat ze er vanuit gaan dat dit wel voor iedereen zal gelden. Wat vermoedelijk ook meespeelt, is de hoop. Nederlanders kijken massaal naar het Binnenhof – met een beetje geluk worden mijn gesprekspartner meegezien.

Als schouwspel is crisis of campagne eentonig, verkiezingen lijken me prima voor het land. Zo denk ik erover. Maar dat zeg ik niet, ik wijs ergens naartoe en begin me dringend in die richting te bewegen. In deze tijdens is iedereen druk en is alles spannend – je kunt rennen en vliegen, er is niemand die naar achtergronden vraagt.

Intussen groeit het verlangen op dergelijke momenten door de knieën te gaan en even in die vlakke hand te bijten, die hand van verstand, redelijkheid, visie en ingevoerdheid, het bloed van de lippen te vegen en ‘hartstikke leuk’ te zeggen, ‘maar voor die hand is dit natuurlijk verschrikkelijk.’


woensdag 3 maart
Fruitcafé

Ik was eigenlijk van plan te gaan kijken hoe André Rouvoet en Ed Anker gistermiddag op een rijdend Fruitcafé zouden stappen en daarop via de Haagse Dierenselaan en het Paul Krugerplein naar de Grote Markt zouden trappen, waar later gisteravond de Verkiezingsnach plaatsvond, maar uit angst voor sociale ongelukken ben ik niet gegaan.

 

Misschien kent u de bierfiets. Daar is het rijdend Fruitcafé een variant op: een picknicktafel op wielen, waarop je aan weerszijden kunt plaatsnemen, met trappers onder de zitplaatsen, en een dakje erboven van blauwwit gestreepte stof. Op een rijdend Fruitcafé is de tap vervangen door een fruitmand; het principe blijft hetzelfde.

Een rijdend Fruitcafé is een tentoonstelling van optimisme, vergeefs, hardnekkig, en als schouwspel erg aantrekkelijk. Het probleem is dat je dat ding niet ongezien kunt observeren. Eenmaal opgemerkt, kunnen de christenen op twee manieren reageren, positief of negatief, en in beiden had ik gistermiddag weinig zin.

Ed en André kunnen beginnen te wenken; het blijven christenen. Kom er ook bij, kom er ook op, het is leuk. ‘Onder het genot van een gezond stuk fruit’ zit ik even later te luisteren naar discussies over zaken die spelen in de Haagse raad, of begin te hyperventileren omdat ik weer eens niet durfde te zeggen dat ik allergisch voor kiwi ben.

Het kan ook dat ze mijn komst niet op prijs stellen. Dat is ook een mogelijkheid. Zo positief heb ik de laatste maanden niet over de ChristenUnie geschreven. Katholieken kunnen er ook wat van, lezen we de laatste dagen, maar dat wist ik toen nog niet. Van opvoeding ben ik zelf katholiek, we kregen blokfluit van een echte pater, maar hebben nooit een deuntje hoeven spelen onder dwang.

‘Kom Ed,’ zou ik André dan vermoedelijk kunnen horen zeggen: ‘Tráppen!’ En dat ze dan als gekken op die gezonde trappers gaan staan, zonder echt vooruit te komen, want ook zonder biertap blijft zo’n café een log en onmogelijk ding. Met uw welnemen stel ik aan dat beeld mijn humeur niet bloot.


maandag 1 maart
Tweet-up


Vrijdagmiddag stond ik voor het GroenLinks-pand in Groningen en keek door het raam naar binnen. Er was een tweet-up gaande, een meet-up van mensen die graag twitteren. Voor de deur stonden meisjes met asymmetrisch haar. Binnen zat Femke Halsema aan een ronde tafel jonge mensen die graag met haar wilden praten.

 

Ik had geen negatieve gedachten, het leken me best aardige mensen, toch zag het er binnen niet uit als iets waar ik me op mijn gemak zou kunnen voelen. Teveel posters, denk ik, teveel enthousiasme, teveel vloerbedekking en mensen die je ergens bij willen betrekken. Of niet. En dan stond je er helemaal raar.

Sowieso: groepen die over panden beschikken.

Vroeger, toen ik ging studeren, de bal nog onder de arm, dacht ik dat studenten links moesten zijn. Dat heeft mij destijds vermoedelijk iemand uitgelegd. Ik melde me aan voor linkse blaadjes, op een avond fietste ik voor een samenkomst naar precies ditzelfde pand aan de Groninger Coehoornsingel. Het was er niet zo druk als nu.           

Ik zat die avond naast een man, die zei: ‘Vorige maand was ik voor het eerst, nu ben ik voorzitter van de afdeling Haren.’ Na enig geïnformeer naar mijn bezigheden, probeerde een dame mij verantwoordelijk te maken voor een deel van het verenigingsorgaan. Later werd in groepjes over thema’s gepraat.

Ik vertrok vroeg. Twee dagen later stonden drie heuphoge stapels GroenLinks-folders voor mijn deur – iedereen deed zijn eigen buurt. Ik keek naar de stapels. Ik keek naar het milieu. Met drie boogjes kwam die middag een vrolijk einde aan mijn politieke betrokkenheid.

Nu stond ik er opnieuw, onder andere omstandigheden, met andere bedoelingen. Met GroenLinks gaat het nu veel beter. Er zullen veel mensen op Femke stemmen. Op televisie zeggen sommigen dat ze premier moet worden. Ze heeft de meeste Twitter-volgers van allemaal. Niet uit te sluiten valt dat tegenwoordig om de folders wordt gevochten. Ik haalde mijn fiets van het slot, reed naar de markt. Geen tonijn, haring. Daarna fietste ik naar het café.



vrijdag 26 februari
Coaching


Meer nog dan naar de deelnemers aan het debat tussen Wouter Bos en Mark Rutte in het televisieprogramma Nova ging onze belangstelling woensdagavond naar de presentatrice uit, mevrouw Clairy Polak.

In het debat was niets bijzonders voorgevallen. Wouter Bos zei tegen Mark Rutte dat hij op de zorg wilde bezuinigen en dat zoiets onverantwoordelijk was in deze tijd. Rutte zei dat Bos op de politie wilde bezuinigen, en dat zoiets in deze tijd nog veel onverantwoordelijker was.

 

Bijzonder werd het toen het programma was afgelopen en Bos en Rutte weigerden met debatteren op te houden. Beiden wilden het laatste woord, beiden waren bereid alles in het werk te stellen de ander van het laatste woord te beroven, want het laatste woord is het enige woord dat de mensen thuis zullen onthouden – dat hebben zij iets te sterk door hun coaches en mediatrainers op het hart gedrukt gekregen.

De arm van Polak hing al een tijdje boven tafel, ten teken dat het nu toch echt was afgelopen, maar daar trokken de debaters zich niets van aan – ‘Jij bent socialistisch.’ ‘Niet. Jij bent  liberaal, das pas erg.’ Intussen probeerde Polak via een oortje zoveel mogelijk te verstaan van het ongetwijfeld paniekerige overleg dat zich achter de schermen moest voltrekken.

Dit is vermoedelijk een moment om eraan te herinneren dat ze bij de publieke omroep helemaal niet soepel met uitzendschema’s omgaan. Alles staat vooraf vast, over elke uitzendseconde is wreed vergaderd. Ook als men live de val van het kabinet kan laten zien, wordt ervoor gekozen op het vooraf afgesproken tijdstip de zenders dicht te doen, zodat iedereen afhankelijk werd van RTL Nieuws, ook de medewerkers van het Journaal.

Het duurde nog even, maar toen gaf men zich achter de schermen van Nova gewonnen. ‘U mag nog acht minuten door,’ zei Polak, ‘hoor ik net.’ Dat was het zetje dat ik nodig had om het toestel uit te schakelen en onderweg naar de slaapkamer te denken dat ze niet alleen in het schaatsen op de grenzen van coaching zijn gestuit.

 


donderdag 25 februari
Magisch realisme



Ik vind eigenlijk dat je eczeem moet krijgen als je jong bent, onbedorven, en de identiteit nog moet worden gevormd. Huidprobleem en persoonlijkheid komen gezamenlijk tot ontwikkeling. Als je achttien bent, rood en schilferig, valt jezelf al niets meer op.

Mocht de eczeem je op latere leeftijd toch nog te pakken krijgen, dien je de gang van zaken te negeren. Vrijdag zag ik niets, zaterdag en zondag niet, maandag en dinsdag evenmin, maar toen ik woensdag een hulpeloze man in de spiegel zag, gehuld in een schaatspak van jeuk en rode bulten, gaf ik me gewonnen.

 

Bij een plotselinge aanval op deze schaal, zei de doktersassistente, denken we eerst aan een allergie – was er iets veranderd, had ik misschien iets bijzonders gegeten?

In gedachten kwamen de doktersbezoekjes van de laatste jaren voorbij. Die zere voet en de nieuwe schoenen. Die zwarte ellebogen en de krant. Toen een vriend zijn zere teelbal eindeloos had laten onderzoeken en bepotelen, en de dokter helemaal niets meer kon bedenken, zag hij door het raam dat zijn fietszadel niet goed stond.

Het kabinet was gevallen, dacht ik. Dat was nieuw. Ik had uren in de kou op de stoep voor het Ministerie van Algemene Zaken gestaan. Meerdere nachtelijke debatten gevolgd, vaker dan gebruikelijk geprofiteerd van de restaurants op het Plein. In die keukens woekerde de jaren tachtig, en dat was anders, en niet mooi, maar een allergie zou je er niet van krijgen.

Hoewel – met een schokje herinnerde ik me het debat over het Irak-rapport. Dat was het begin van de kabinetscrisis, en ook de eerste keer dat er rode vlekken van de hand in de mouw van het overhemd probeerden te dringen. Ik schudde de gedachte weg, en zei nee, er is helemaal niets bijzonders voorgevallen.

We maakten een afspraak, en legden op. Krabbend liep ik door de kamer, stond ik voor het raam, krabbend zat ik op de bank. Eén keer nog dacht ik heel diep na. Er was iets veranderd, zoveel was zeker. Maar wat?

 

 

woensdag 24 februari
Via via


De afgelopen weken heeft God de fractievoorzitter van de ChristenUnie geholpen een beslissing over zijn toekomst te nemen. In een interview met het Nederlands Dagblad formuleerde Arie Slob het zo: ‘God heeft mensen op mijn weg geplaatst die me hebben gesterkt in mijn beslissing.’

 

Hieruit kunnen we concluderen dat God zich niet rechtstreeks tot Arie Slob heeft gewend. Het is via via gegaan. Ik zou de voorkeur geven aan een meer directe en persoonlijke benadering, voor Slob maakt het geen verschil: ‘Soms gebruikt God andere mensen om dingen duidelijk te maken.’

Dit heeft God voor Slob besloten: hij dient zich nog vier jaar ter beschikking te stellen het Kamerlidmaatschap voor de ChristenUnie te vervullen. God zegt wel vaker dat mensen moeten doorgaan op de ingeslagen weg. In de wereld van de persoonlijke godsbeleving is dat een constante. Ik heb althans nog nooit iemand na een bevinding horen zeggen dat hij alles onmiddellijk uit zijn handen moet laten vallen.

Bas van der Vlies (SGP) schijnt in zijn tijd trouwens ook de nodige boodschappen van God te hebben ontvangen. Er wordt gezegd dat hij daaraan zijn positie onder zijn gelijken dankt. Hoezeer je Van der Vlies van iedereen ook moet respecteren, het neemt de vraag niet weg met welke onderscheidende kwaliteit de persoonlijke godsbeleving zich zonder overleg met artsen boven een waanbeeld denkt te mogen verheffen.

Slob heeft zijn bevinding dan ook nog eens via een ander doorgekregen. Een tennisspeler, heeft hij laten weten. Dit is hem uiteraard gegund, er zijn hem wel honderd tennissers gegund, maar toch vraag ik me af hoe Slob er zeker van kan zijn dat hij met een echte boodschapper te maken had, die alles goed heeft verstaan, en niet bijvoorbeeld het woordje ‘niet’ heeft gemist.

Als we Arie Slob geloven en ervan uitgaan dat alles zonder gebreken bij hem is binnengekomen, moeten we ook de volgende stap maken en eerlijk vaststellen dat hij geen bijzonder ambitieuze Goddelijke opdracht heeft gekregen. Ga maar door, zegt God. Doe maar. Kan Mij het schelen.



maandag 22 februari
Zondagmiddag



Toen ik Balkenende gisteren in Buitenhof op zijn glimmende gelijk zag plaatsnemen, werd ik even lelijk teruggevoerd naar de zondagmiddagen in het ouderlijk huis van mijn vader aan de Hoogeveensche Vaart. Op die zondagen is een aantal zaken duidelijk geworden.

 

Tussen kerkdienst en politiek discussieprogramma reden we naar Erica. Als we langs het kanaal naar het huis met het puntdak reden, stonden we altijd wel even stil bij de plek waar opa – die wijnhandelaar was – in de jaren vijftig na een wijnproeverij in het ijskoude kanaal een hartaanval gekregen had.

Angst voor kanalen, rivieren en hartaanvallen, een liefdevolle bepaling tot de wijnproeverij – het is niet moeilijk mezelf uit die zondagen te verklaren.

Nu zat ik in een kamer in Den Haag en hoorde Balkenende zeggen: ‘Waarom ik weer premier wil worden? Omdat je soms oog moet hebben voor wat een land nodig heeft.’ Een dag eerder had ik hem al horen uitleggen waarom hij weer ‘gemotiveerd lijsttrekker’ werd: ‘Als je toch ziet wat er gebeurt in de politiek. Nu is er weer een kabinet gevallen.’

Toen stond ik in het gras bij het kanaal, bal aan de voet. Door het raam zag ik hoe het christendemocratische gelijk zich rond de koffietafel schaarde. Wij wonnen altijd de verkiezing. Wij zaten altijd in de regering. Ons gelijk was zo groot dat je lacherig werd als je aan de tegenstander dacht.

Aan de overkant van het kanaal startte mijn oudste neef een auto die met karton en plakband bijeen werd gehouden. Hij ging altijd weg, liet altijd het vermoeden achter dat hij nooit meer terug zou komen. Soms belde hij uit Griekenland. Soms stond hij ineens weer voor je met woestijnzand in zijn haar.

De neef reed weg – de rook en geluiden die hij produceerde, leken speciaal bedoeld om te spotten met onze waarden. Binnen werd zo waardig onder zijn eigenzinnigheid geleden dat alle aandacht erop gevestigd werd. Ik schopte de bal weg, liep de landerijen in. Bij ons klopt niets, dacht ik. Bij ons is alles altijd andersom.

           

vrijdag 19 februari
Deur

Voor wat zijn laatste debat zou moeten zijn, nam Balkenende gistermiddag in het gebouw van de Tweede Kamer de roltrap naar de tweede verdieping, waar de pers op hem wachtte, en daarachter de Kamer.

 

Al vaker is hier met vermoeide vingers over zijn onuitroeibare fitheid geschreven. Niets lijkt hem te raken, niets blijft aan hem kleven – misschien wordt hij gewassen; Balkenende is elke dag precies dezelfde man.

Vanaf de tweede verdieping kon je als eerste zijn kapsel zien. Misschien kamt hij elk kwartier de scheiding met een natte kam. Misschien gaat er na elke beurt een laagje haarlak overheen. Totdat een deskundige daarover eens zijn licht laat schijnen, tasten we deemoedig in het duister.

Daarna zagen we een gezicht dat niet correspondeerde met wat daarboven zichtbaar was; daarop, is misschien een beter woord. Voor het eerst zag hij vermoeid, was de blijmoedige uitdrukking verdwenen. Krachten en inspiratie, alles leek de premier even ontvloeid.

Hij stapte de verdieping op, sprak een aantal betekenisvrije woorden in een camera, en liep toen naar de deur die alleen voor bewindspersonen toegang tot de vloer van het parlement geeft. Met dat deurtje is iets bijzonders aan de hand.

In Groot-Brittannië mogen ministers door twee zeer hoge en massieve houten deuren het parlement in. Soms staan er dienders bij in historische uniformen, die met geklop van staffen de entree begeleiden. Hier gaat de premier door een piepklein deurtje de Tweede Kamer in, geestelijk gebukt, fysiek gaat het nog net.

Balkenende heeft veel vrome artikelen over verantwoording geschreven; zonder verantwoording geen fatsoenlijk bestuur. Door geen verantwoording over Irak te af te leggen, maakte hij gewoonterecht. Met een beroep op Balkenende hoeft in de toekomst nooit meer een liegende minister weg.

Zo beschouwd is het deurtje waardoor Balkenende het parlement betrad van passende omvang. Wat binnen gebeurde, in dat deadline-onvriendelijke debat, weet u vanochtend beter dan ik gisteravond. Ik hoorde hem nog net een keer of vijftien benadrukken dat de procedures over Afghanistan zorgvuldig doorlopen moeten worden. Nog zorgvuldiger, denk ik, dan met Irak al is gebeurd.

 

donderdag 18 februari
Supporter

Het gewezen Kamerlid Arend Jan Boekestijn (VVD) noemt zichzelf in het openbaar met enige regelmaat ‘een intellectueel’. Nu we het Irak-debat via het beeldscherm hebben gevolgd, en daarbij tegelijkertijd de commentaren hebben gelezen die hij op de internet-berichtenpagina Twitter achterliet, kunnen we hem niet langer geloven op zijn woord.

 

Vooraleerst is Boekestijn supporter. De werkelijkheid valt voor hem uiteen in ja en nee, goed en slecht, hoera en boe. De grens daartussen wordt gevormd door het linkerbeen van Pechtold. Alles wat ter rechterzijde daarvan in de Kamer wordt gezegd, kan op zijn uitbundige instemming rekenen, alles wat aan de andere zijde daarvan wordt opgebracht, doet hem wanhopig naar het voorhoofd grijpen.

In de eerste uren van het debat lazen we: ‘Pechtold gaat af via zijdeur.’ ‘Dat is niet waar, Femke.’ ‘Femke en Agnes moeten aftreden.’ ‘Ik vind de stem van Kant niet handig.’ ‘Femke begrijpt het niet.’ ‘Kletskoek.’ En: ‘Uitstekend betoog van Rutte.’ ‘Uitstekend betoog van SGP.’ ‘Rutte is ijzersterk.’ ‘Rutte heeft het kernpunt te pakken.’

Hierop volgde een periode waarin we ineens helemaal geen berichten meer van Boekestijn te lezen kregen. We vreesden dat zijn echtgenote hem bij het beeldscherm had weggeroepen – de kinderen konden niet slapen – tot we lazen dat hij tussendoor even naar een ouderavond was geweest.

‘Balkenende is in vorm,’ schreef hij nu. ‘Er wordt gehakt gemaakt van Halsema.’ ‘Je hoort de wanhoop in Pechtolds stem.’ ‘Verhagens verhaal is zeer aannemelijk.’ ‘Pechtold en Halsema hebben het verknald.’ ‘SP heeft maoïstische wortels.’ En: ‘Verhagen is ook in vorm.’ ‘Van Geel is ontspannen.’ ‘Wilders is lid van de linkse kerk.’ ‘Goed punt van SGP.’ ‘Heel goed punt Rutte.’

Het debat werd geschorst, Boekestijn schreef: ‘Als de motie van wantrouwen geen meerderheid haalt, is het Irak-dossier gesloten. Een historisch moment.’ Dit gebeurde, de motie haalde geen meerderheid, Boekestijn kon naar bed. Vijf uur later was hij alweer uit de veren: ‘Auto naar de garage gebracht.’ ‘Rapporten lezen is het leukste dat er is.’ In huize Boekestijn hernam zich het normale leven.

 


woensdag 17 februari
Punt


Er zijn drie houdingen waarin je de lijsttrekker van ‘Stop Wilders Nu’ tijdens verkiezingsdebatten in Haagse zaaltjes aan kunt treffen: voor, tijdens of vlak na een eruptie van argumenten en emoties.

 

In rijtjes kandidaten zit Frans Schulte meestal op de meest rechtse kruk, een zestiger met kort geknipte, grijze haren en pakken van ribfluweel. Wanneer anderen spreken, denkt hij fronsend na; de armen stevig over elkaar geklemd, een hoofd dat soms even plotseling naar links zwenkt of in de nek verdwijnt.

Als hij het woord krijgt, veert hij op, beweegt het bovenlichaam met rechte rug boven de knieën en prikt zijn rechterwijsvinger de lucht in. ‘Denken we even terug aan de goede werken van de commissie-Elzinga,’ kan hij dan zeggen. Om er ter verduidelijking aan toe te voegen: ‘De dualisering van college en gemeenteraad…’

Op dit punt aangekomen, houdt de heer Schulte een korte pauze en kijkt hij even asjemenou-achtig de zaal in. De andere lijsttrekkers worden hier soms een beetje ongemakkelijk van. Van schreeuwlelijken zijn ze gewend dat ze altijd hetzelfde schreeuwen, maar deze zegt elke keer iets anders.

Met een rukje trekt Schulte zijn wijsvinger naar zijn gezicht en roept met wegdraaiende ogen en trillende wangen, alsof hij die vinger een allerlaatste waarschuwing geeft: ‘En wat hebben we gezien de laatste jaren? Een stáátsgreep van het college van B & W! Als je dan een star college hebt, lokale journalisten die morsdood zijn, en je telt daar óók nog eens de opkomst van Wilders bij op…. dan is er alle reden om te zeggen dat het niet anders kán, maar anders móet!’

Hierna laat hij zich terugzakken in zichzelf en toont de wereld even alleen het lange voorhoofd. Het is niet helemaal zeker wie de baas was, mijnheer Schulte of het enthousiasme. Misschien is het iets van beide. Maar als je door de knieën gaat en zijn donkere ogen onder de wenkbrauwen even genotvol op ziet glimmen, weet je zeker: mijnheer Schulte heeft een punt gemaakt. Ook aanhangers van Wilders applaudisseren.

 

 

dinsdag 16 februari
Martelprimeur

 


We moeten nog even terugkomen op de martelprimeur waarmee het Dagblad van het Noorden de eerste tien dagen van het nieuwe jaar zijn voorpagina’s heeft gevuld. Die betrof het lot van Muppie, een tienjarige kat uit Klazienaveen. Volgens de krant hadden ‘onverlaten’ het beest ‘een rotje in het achterwerk gestopt’.

Muppie werd door een vrouw in Klazienaveen gevonden. Twee dagen later stond zij met een lang gezicht op de voorpagina; op een kleinere foto zagen we de ontplofte kat. Volgens de verslaggever was zij ‘èn heel erg verdrietig, èn heel erg boos’. We konden dus wel stellen dat zij verscheurd werd door emoties.

Enkele dagen later opende de krant de voorpagina met het bericht dat de politie de zaak serieus nam. Weer een dag later werd bericht dat de eigenaren zich hadden gemeld. Ook die mensen bleken ‘en heel erg boos, èn heel erg verdrietig’. Gevoelvol werd stilgestaan bij de wijze waarop zij hun kinderen hadden ingelicht. ‘Muppie,’ zo hadden zij gezegd, ‘is per ongeluk tegen vuurwerk aangelopen’.

Het duurde even voordat het Dagblad een forensisch psychiater bereid had gevonden een eerste daderprofiel te schetsen. Maar toen kon ook met zekerheid woren vastgesteld dat bij de wandaad alcohol en drugs in het spel waren geweest. Of de dader moest psychotisch zijn, dat kon ook. Of er moest iets anders aan de hand zijn; gissen bleef tenslotte mensenwerk.

Enkele dagen later constateerde het Dagblad dat ‘de verontwaardiging in het Noorden’ over het lot van Muppie ‘tot enorme hoogte was gestegen’. Het was ongelogen waar. De Dierenbescherming hield flyeracties. Getuigen werden opgeroepen zich te melden – het mocht anoniem. Op fora beschreven mensen gedetailleerd wat ze met de ‘zieke daders’ wilden doen. In de supermarkt van Klazienaveen ontstonden opstootjes omdat mensen elkaar als dader begonnen aan te wijzen. Sommige mensen bleven tijdelijk van verjaardagen weg.

In een bescheiden nieuwsbericht is het Dagblad vorige week voor de laatste keer op het voorval teruggekomen. ‘Sectie’ had uitgewezen dat zij door een auto-ongeluk om het leven was gekomen.

 


maandag 15 februari
Rectificeren


In homocafé Basta aan de Scheveningseveer zaten twee bevriende zestigers aan de bar. De een droeg een gele trui, de ander een bruine. Ze dronken cappuccino en treuzelden koekjes uit de verpakking. Net als ik hadden zij even tevoren een verkiezingsdebat in het achterzaaltje bijgewoond, waaraan ook Paul ter Linden van de PVV had deelgenomen.

Enkele uren eerder had ik een stukje over Ter Linden geschreven, en zijn voorstel in de strijd tegen moedwillige besmetting mannen met hiv een kenmerk boven het geslachtsdeel te laten tatoeëren. Het stukje was naar de krant gestuurd, de krant naar de drukker, en stond op het punt te worden verspreid.

Ter Linden bleek een jonge jongen, hooguit twintig, en enigszins ongemakkelijk in zijn verschijningsvorm. Geen jongen die je met angst zou verlammen als hij met een tatoeëernaald op je af zou komen. Hij vertelde dat hij zijn voorstel drie jaar geleden in een opwelling had gedaan, alles had teruggenomen en van excuses had voorzien.

De zestigers aan de bar lepelden hun kopjes leeg, verwijderden met natte vingertoppen koekkruimels van de bar en namen toen een stapeltje verkiezingsfolders door. ‘De VVD,’ zei de een, en hield een folder op waarop met roze letters ‘VVGay’ geschreven stond, ‘zegt alleen maar waarop ze willen bezuinigen.’

Ik vroeg me af of Ter Linden een nieuw stukje van mijn hand verdiende, waarin werd uitgelegd waarom hij genoeg aan de oude uitspraak herinnerd was. Zoiets kon ik doen; hij had er recht op. Van de andere kant kon je je afvragen in hoeverre je hem een plezier deed als je de kwestie nogmaals oprakelde, al was het dan in rectificerende zin.

Ik wist nog niet wat me te doen stond toen de man in het gebreide geel zijn vriend op een foto van een christelijke lijsttrekker wees. ‘Deze lijkt op een heel strenge hoofdonderwijzer.’ En, met kippenvel op de stembanden: ‘Hij neemt de jongens altijd mee de natuur in.’ Hierna keken zij even dromerig voor zich uit. In gedachten konden zij het helmgras weer langs hun blote jongensbenen voelen strijken.


vrijdag 12 februari
Normaal


In café Supermarkt aan de Haagse Grote Markt stond een jongen in het publiek te wachten tot het tweede verkiezingsdebat van TV West begon. Het was het eerste waaraan ook de PVV deelnam.

 

Het was een jongen die je niet hoefde te vertellen dat hij zijn haar moest knippen of eens wat nettere kleding aan moest trekken, het was een jongen die je moest zeggen dat hij zijn hele leven nog in donkerblauwe kostuums kon rondlopen, en dat hij misschien eens in de spiegel moest kijken om te zien hoe bleek hij was.

Tijdens het debat hield PVV-lijsttrekker Sietse Fritsma een pleidooi voor halvering van alle gemeentelijke subsidies, en bleken zijn tegenstanders van SP en D66 het daar enigszins wanhopig mee oneens.

Nu pas zag ik dat de bleke jongen deel uitmaakte van een groep gelijkgeklede PVV-aanhangers. Allemaal waren ze jong, bleek, allemaal droegen ze dezelfde donkere kantoorkleding. De schoenen waren gepoetst, de scheidingen scherp, over de blauwe overjassen droegen de meisjes een veelkleurige sjaal.

Over nut en noodzaak van subsidie kun je lang van mening verschillen, toch maak ik me sterk dat de PVV na de verkiezingen niet een paar partijen kan vinden die ook van mening zijn dat gesubsidieerde instellingen geen subsidie meer moeten vragen voor cursussen waarin ze lage overheden leren hoe ze zoveel mogelijk subsidie van hogere overheden kunnen los-lobbyen.

Op het internet las ik thuis dat de bleke jongen Paul ter Linden heette, de elfde plaats op de PVV-kandidatenlijst bezette, en dat zijn eerste bijdrage aan het publieke debat een voorstel betrof om mannen met HIV een kenmerk boven het geslachtsdeel te laten tatoeëren om te voorkomen dat zij anderen kunnen besmetten.

In café Supermarkt wist ik dat nog niet, en werd ik er vooral door getroffen hoe normaal PVV-aanhangers waren. Ze droegen misschien geen campagnepetje zoals de aanhangers van SP en D66 deden, maar in hun verlangen naar eenheid deden ze niet voor hen onder. Ja, zo was het. Onderweg naar huis kauwde ik even omstandig op het woord ‘emancipatie’.

 


donderdag 11 februari
Rukkers


Voordat ik het seksleven van de kalkoen ter sprake breng, moet ik bekennen dat ik de Stemwijzer heb ingevuld en op de Partij voor de Dieren uitgekomen ben.

Ik moet wel zeggen: van de helft van de onderwerpen die de Stemwijzer met mij ter sprake bracht, had ik totaal geen verstand. Als de politie teveel fouilleert, moet zij daar misschien eens mee ophouden, maar ik weet niet of dat zo is. Ik hoor zeggen dat de akoestiek in de dr Anton Philipszaal niet deugt, maar heb geen idee of dat voldoende reden is voor een Cultuurtoren op het Spui.

 

Er waren wel een boel onderwerpen die bij mij ‘een bepaald gevoel’ opriepen. Dan ging het bijvoorbeeld over dieren. Ik ken de oorzaken verder niet, maar ik heb me de laatste jaren ontwikkeld van een onbekommerde vleesverwerker tot een voedselsnob die bij de vleesafdeling in de supermarkt van walging staat te wankelen.

Het is eigenlijk alleen omdat ik mij het laatste lamsrackje niet uit de mond wil laten schrijven dat ik Eating Animals van Jonathan Safran Foer voorlopig ongelezen laat.

In de vleesindustrie worden kalkoenen tot zulke proporties opgekweekt dat zij zichzelf niet meer kunnen dragen, laat staan zichzelf nog kunnen voortplanten. Om de productie op peil te houden, trekken werknemers hun beesten op regelmatige basis af.

Het CDA is tegen dierenseks, maar zorgde ervoor dat in het wettelijke verbod de handelingen niet werden beschreven, alleen de zedelijke connotaties, anders hadden zij met het verbod hun eigen kiezers van de kalkoenen geroepen.

Om te kunnen begrijpen waarom juist dierenrukkers tegen het aftrekken van dieren zijn, moet je vermoedelijk CDA’er zijn, of rukker tout-court.

Misschien moet ik mij de komende weken inhoudelijk in de verkiezingskwesties verdiepen en daarna nogmaals de Stemwijzer doen. Maar als mij de moed daartoe gaat ontbreken, en dat zou zomaar eens kunnen gebeuren, stel ik mij op drie maart in het stemhokje het gezicht voor van een CDA’er die bezig is aan een zware kalkoen, en breng  alsnog mijn stem uit op de Partij voor de Dieren.


PS: 

"De meeste mannelijke  vogels (bijvoorbeeld hanen <http://wapedia.mobi/nl/Haan_(kip)>  en  Kalkoenen <http://wapedia.mobi/nl/Kalkoen> ) hebben een cloaca (net  als de vrouwtjes), maar geen penis. Enkele vogels hebben wel een penis,  bijvoorbeeld soorten die behoren tot de Paleognathae <http://wapedia.mobi/nl/Paleognathae>  (Tinamoes <http://wapedia.mobi/nl/Tinamoes>  en loopvogels <http://wapedia.mobi/nl/Loopvogels> ), Anatidae <http://wapedia.mobi/nl/Anatidae>  (eenden <http://wapedia.mobi/nl/Eenden> , ganzen <http://wapedia.mobi/nl/Gans>  en zwanen <http://wapedia.mobi/nl/Zwanen>  en enkele andere soorten (o.a.  struisvogels <http://wapedia.mobi/nl/Struisvogel>  en flamingo's <http://wapedia.mobi/nl/Flamingo%27s> . De penis van vogels  is anders in structuur dan die van zoogdieren. Bij vogels is de penis een  uitbreiding van de wand van de cloaca. Erectie treedt op door lymfe <http://wapedia.mobi/nl/Lymfe>  en niet door bloed. Vaak is het  bedekt met veren en sommige soorten hebben een botje of borstelachtige draden.  In slappe toestand is de penis meestal opgerold in de cloaca. De Argentijnse  meereend heeft de grootste penis in verhouding tot lichaamsgrootte (van  gewervelde dieren), gewoonlijk met een penis van ongeveer de helft van de  lichaamslengte (20 cm). De grootste gedocumenteerde penis bij deze soort was  42 cm."
zie: http://wapedia.mobi/nl/penis 


woensdag 10 februari
Borsten

 


Om zich een nauwkeurig beeld te vormen van de borsten van mevrouw Bolle, Cultuurwethouder te Den Haag, hoefde men haar niet te vragen het huidnauwe laagje textiel dat zij om het bovenlichaam droeg even uit te trekken.

We troffen de PvdA-politica in het Haagse Nutshuis, waar zij met andere politici deelnam aan een cultuurdebat. Haar borsten mochten er gerust wezen, dat kon gewoon eerlijk worden toegegeven. Het kan aan de textiel hebben gelegen, die veerkrachtig leek, maar die avond is mij tweemaal ongewild het woord ‘elastisch’ naar het hoofd gestegen.

In het cultuurdebat speelden verschillende onderwerpen een rol. Een ervan betrof de ‘broedplaatsen’, gebouwen waarin kunstenaars tegen gereduceerd huurtarief ateliers en expositieruimtes kunnen vestigen. Een ervan, De Illusie, moet van het College waarin mevrouw Bolle en haar PvdA zitting hebben, plaatsmaken voor een bedrijf.

Ik keek naar de borsten van mevrouw Bolle, ik keek naar het de rest van mevrouw Bolle, en kon de leeftijd van de verschillende onderdelen niet helemaal met elkaar in overeenstemming brengen, toen ik haar omstandig het belang van broedplaatsen hoorde onderstrepen.

Broedplaatsen waren erg belangrijk voor een stad, daar was iedereen het over eens. Broedplaatsen hadden een enorme aantrekkingskracht, ook economisch. Cultuur bleek de beslissende factor in de keuze van bedrijven zich in een stad te vestigen, bijvoorbeeld in een gebouw waarin zich nu nog een broedplaats bevindt.

Het was vreemd te merken dat bij het staren naar borsten de vrijwilligheid zo’n ondergeschikte rol speelde dat je er al bijna over kon spreken als iets dat je werd aangedaan. Het was ook vreemd dat mevrouw Bolle het belang van een broedplaats verdedigde die ze juist gesloten had.

Geconfronteerd met de dubbelhartige debatpositie, begon mevrouw Bolle te stralen, en zei ze: ‘En daarom zijn broedplaatsen ook zo belangrijk.’

Nou goed. Het zal aan mij hebben gelegen, mevrouw Bolle, de PvdA. We gingen vroeg naar huis die avond, dat kunnen we er nog bij vertellen. We stapten vroeg onder wol, gingen een lange nacht met vlakke dromen tegemoet.

 


dinsdag 9 februari
Sha-la-lie


Normaal stuurt de PVV dagelijks e-mailberichten naar de pers met rode uitroeptekens erachter – ‘Urgentie Hoog’ – maar nu Nederland het afgelopen weekeinde tweemaal in haar nationale integriteit is aangetast, hebben we van de PVV nog geen enkele email ontvangen. Ook geen kleintje, met een beetje verontwaardiging.

De eerste kwestie betreft de publicatie van een boek van Frans Verhagen, waarin hij cijfers van de verschillende generaties allochtonen op het gebied van criminaliteit, werkgelegenheid, scholing en inburgering vergelijkt met Amerikaanse cijfers, en concludeert dat de integratie in Nederland succesvol verloopt.

De tweede kwestie betreft het Nationale Songfestival: zondagavond zagen wij enkele ordinaire, onbenullige en slecht opgeleide, ja, typisch Nederlandse meisjes Arabische buikdansbewegingen maken op muziek waarin onmiskenbaar oosterse klanken waren geïntegreerd.

Normaal hoeft een Marokkaanse vrijwilliger van een kinderboerderij maar een konijn te laten ontsnappen of bij de PVV gaan de urgentiesignalen op rood, maar nu ons land de afgelopen dagen aan intellectuelen en islamieten is weggegeven, blijft het stil. Wat is er aan de hand?

Misschien is de PVV’ers het boek van Verhagen ontgaan. Dat kan. Er ontgaat hen wel vaker een boek. Het kan ook dat ze erop gokken dat Nederlanders heel goed zelf in staat zijn cijfers te betwijfelen. Ook daar kan ik me iets bij voorstellen. Net de plastic afvalzak vervangen door een variant van zetmeel en we moeten alweer batterijen in de berm gaan gooien om te voorkomen dat we een periode van globale afkoeling tegemoet gaan. Maar het Songfestival? Het Nationale Songfestival?

 

Vorige week durfden commentatoren te beweren dat de Nederlandse inzending aan het Eurovisie Songfestival – ‘Sha-la-li’ van Vader Abraham – een stom liedje was. De componist verscheen daarop verontwaardigd in de media. Als zijn liedje niet zou winnen, riep hij, zou hij onmiddellijk emigreren. Hierbij vergat hij te vermelden dat zijn liedje het enige liedje was, en dus helemaal niet kon verliezen.

Om geen Vader Abraham te worden, reageren PVV’ers niet op het boek van Frans Verhagen. Weggezakt in genot is hen de islamitische infiltratie van het Nationale Songfestival ontgaan.

 

maandag 8 februari
Stemadvies

Vlak voordat het eerste TV West-verkiezingsdebat vanuit café Supermarkt aan de Haagse Grote Markt live de lucht in zou gaan, kreeg ik van iemand achter mij in het publiek een porretje in de zij. Ik draaide me om en zag een heerschap van misschien wel Indonesische origine. ‘Ik zie jou schrijven,’ zei hij.

‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is correct.’

 

Op het podium gaf de regisseur het teken dat voor een korte aankondiging even live in het TV Westjournaal zou worden ingebroken. ‘Ik zie mensen met PvdA-sjaaltjes,’ begon de presentatrice te roepen, ‘mensen met VVD-petjes, ik zie mensen met leuke T-shirts van de Stadspartij!’

De aankondiging was afgelopen, de man achter mij bediende zich opnieuw van het porretje. ‘Dus jij werkt voor de krant,’ zei hij. En, toen ik bevestigend had geantwoord: ‘Ik sta op de kandidatenlijst voor de PvdA. Achttiende plek.’

‘Ach’ zei ik. ‘Dan wordt het lastig om in de gemeenteraad te komen.’ Het was zacht uitgedrukt, zo helemaal zonder het woord ‘kansloos’.

De man lachte meewarig; aan zijn ogen ontsnapte een vonkje waarop Engelsen het woord ‘cunning’ zouden plakken. ‘Je vergeet de voorkeursstemmen,’ zei hij. ‘Er wonen zestigduizend hindoes in Den Haag, en die hebben nog geen tempel. Die ben ik nu voor hen aan het regelen, want verkiezingstijd is een geweldige tijd om dingen van de gemeente gedaan te krijgen.’

Ik keek naar zijn gezicht en kwam erachter dat het opportunisme zich via onze lippen verraadt. Ze krullen er in de hoeken even licht van op.

Op het podium hoorde ik de presentatrice de deelnemers aan het debat vragen: ‘Weten jullie eigenlijk waar we zijn? Supermarkt, wat is dat eigenlijk? Komen jullie hier wel eens?’

‘Hier,’ zei de man, en gaf me zijn kaartje. ‘Misschien kunnen we eens praten.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Misschien wel.’ Maar eigenlijk had ik al besloten dat ik mijn column zou misbruiken om de hindoes van Den Haag een stemadvies te geven: Stem niet op Ray Ramnewash. Zeg de komende vier jaar elke week tegen hem: ‘Bedankt nog voor de tempel hè? We hebben vanochtend weer heerlijk gebeden.’

 


vrijdag 5 februari
Elan met man

Als je mediatraining de baas laat zijn, moet je niet vreemd opkijken als je het voortaan zult moeten doen met politici als Sander Dekker, lijsttrekker van de Haagse VVD bij de komende gemeenteraadsverkiezingen, wethouder Onderwijs, man met elan.

 

Sander Dekker is een dertiger met een fris gezicht, in pakken met een verse snit. Hij draagt een moderne bril onder een kapsel waarin krullen zijn geknepen door een hand die vooraf met een haarverzorgingsmiddel moet zijn ingesmeerd.

Ik weet overigens niet helemaal zeker of het kapsel ook al meetelt, of dat Sander Dekker pas daaronder Sander Dekker heet.

Voor publieke optredens kun je Sander Dekker in het midden van podia zien staan. In het licht van camera’s en lampen sluit hij omstandig zijn Iphone af. Sander kan minzaam lachen zonder dat in zijn wangen rimpeltjes verschijnen.

Hij draagt zijn zelfvertrouwen als een pin-up haar borsten – je hebt niet onmiddellijk in de gaten dat er ook een persoon bij hoort. Enkele optredens van Sander Dekker en je raakt verzeild in bespiegelingen over aard en oorsprong van het verschijnsel zelfvertrouwen. Misschien zit het zo: hoe minder meubels, des te kleiner ook de onzekerheid over de kansen van inbrekers.

Als hij twee minuten spreektijd krijgt, is hij na een minuut klaar. Dan heeft hij kort en bondig iets stevigs gezegd. Dat er aangepakt moet worden. Dat het afgelopen moet zijn. Dat het afgelopen is.

De uitspraken gaan vergezeld met het even stevig naar beneden brengen van de onderarmen, van vijfenveertig naar negentig graden. Een gebaar als een besluit.

Mediatrainers leren Sander Dekker dat de journalistiek dom is. Als journalisten gedachteloos hun wet van hoor- en wederhoor toepassen, hoef je er maar iets in te gooien dat tegenspraak oproept van je concurrenten – de coffeeshops moeten bijvoorbeeld nodig dicht – en ze hebben voor de rest van de campagne materiaal.

Toeschouwers bekruipt dan misschien het gevoel dat de partijen vooraf al een gelijkspel overeengekomen zijn – jij ja, ik nee – en de wedstrijd is verkocht, maar daar drinkt Sander Dekker voorlopig geen bitter-lemon minder om.

 

donderdag 4 februari
Kusje


Op de Afghanistan-conferentie in Londen gaf onze minister van Buitenlandse Zaken zijn Amerikaanse collega een kusje. Het kusje kwam uit het niets, en leidde tot enige pijnlijke ogenblikken. In de Volkskrant deed Theo Koelé geserreerd verslag van het sociale ongerief, wij zouden er wat dieper op in willen gaan.

Als het kabinet valt over de beslissing langer in Uruzgan te blijven omdat de PvdA het niet wil – ‘vertraagd vertrekken’ luidt het nieuwe eufemisme – moeten wij het kusje van Verhagen bestuderen om de crisis te kunnen begrijpen.

Waarnemers ter plekke zagen minister Verhagen verloren door de conferentiezalen lopen. In ieder ledemaat dreigden Atlantische reflexen de besturing over te nemen. Toen zag hij haar staan. Clinton. Hillary. Amerika.

Verhagen stelde zich vlakbij haar op, een beetje rechtsachter haar. Een halve minuut staarde hij naar haar wangen. Met een korte, snelle hagedissenbeweging bracht hij daarna zijn gezicht bij dat van Clinton en gaf haar zijn onverwachte kus.

Toen Hillary van de schrik was bekomen en haar wenkbrauwen hun hoogtetop hadden bereikt, kreeg haar blik iets spottends. De meeste mannen krijgen in hun leven wel een paar keer met die blik te maken. De blik vertelt ons dat we ons iets in het hoofd hebben gehaald.

 

Vanuit Amerikaans perspectief was Hillary’s reactie begrijpelijk. Alles hadden ze die Nederlanders gegeven. Ze mochten het Navo-chefje leveren, meedoen in de G-20, ze werden ontvangen, keer op keer, met open armen, en bij iedere ontvangst hebben de Amerikanen omstandig de ‘Dutch approach’ geprezen.

Maar leveren – ho maar.

En Verhagen, die stond daar maar, hulpeloos zijn kusje na te kijken, gereduceerd, vernederd. Het liefst had hij haar nog veel meer kusjes willen geven, toe nou willen zeggen, ik ben het, Maxime! – en dat alles dan weer als vroeger was.

Met de PvdA in het kabinet zou dat niet gebeuren. Verhagen kneep zijn ogen tot spleetjes, en speurde over de hoofden naar een PvdA’er om zich op af te reageren. Ah, kijk, in de verte, daar had je die klootzak van een Koenders al.

 


woensdag 3 februari
Misvatting
 

Ik weet niet zeker of de democratie in haar voegen kraakt, zoals Peter Giesen in de Volkskrant betoogde, maar één opmerking uit zijn essay is me toch wel bijgebleven: mensen denken dat democratie betekent dat volksvertegenwoordigers precies doen wat zij willen, in plaats van belangen af te wegen tegen de achtergrond van het algemeen belang.

 

Mensen die deze misvatting huldigen, komen relatief vaak naar de verkiezingsbijeenkomsten die dezer weken overal in Den Haag worden georganiseerd. In het buurtcentrum van de volkswijk Vrederust zat een man met een snor. Hij was boos binnengekomen, boos gaan zitten, en is na afloop ook weer boos naar huis gegaan.

Achter een tafel debatteerden lokale politici; hij heeft ze allemaal van repliek gediend. Zijn grootste ergernis betrof de opheffing van een buslijn. Jaren geleden had hij al tegen de gemeente gezegd dat ze die moesten heropenen, maar dat hadden ze nog steeds niet gedaan. ‘Wat dat betreft,’ zei hij, ‘is de gemeente echt afgrijselijk!’

Van de politici had vooral de vertegenwoordiger van Trots op Den Haag hiervoor belangstelling. Arnoud Bakhuizen, een dertiger met witte tanden en heldere ogen. ‘Wij zijn ook klaar met alle beloftes,’ zei hij. ‘Wij gaan daar wat aan doen. Op onze website kunnen mensen aangeven wat de problemen zijn.’ Iemand uit de zaal zei: ‘De problemen zijn bekend.’ ‘Ja,’ zei Arnoud, ‘maar als je wat aan problemen wilt doen, zul je die eerst in kaart moeten brengen.’

Het was dezelfde receptuur als die van de bestuurderskliek waartegen hij zich dacht af te zetten, maar dat had hij niet in de gaten. Je mag iemand natuurlijk geen gebrek aan intelligentie verwijten, het is alleen jammer dat het zo vaak gepaard gaat met een stralend vertrouwen in eigen kracht en kunnen.

Het werd koffiepauze en we spoedden ons – ach jeugd – met consumptiebonnen naar een hoekbar met vrijwilligers. Met een kopje in de hand zagen we hoe Arnoud naar de bromsnor liep en gehurkt naast hem ging zitten. De bromsnor bleef de hele pauze onvrede spuien, en Arnoud ving alles op, bereidwillig als een emmertje.

 

dinsdag 2 februari
Vrederust


Tijdens een verkiezingsdebat in het buurtcentrum van de Haagse volkswijk Vrederust heeft de heer G. Verspuij van de lokale PvdA geen eerlijke kans gekregen.

Tegen de achterwand van het zaaltje was voor de deelnemers een lange rij tafels aaneengeschoven. Iedereen zat goed. Voor een afwezige PVV-kandidaat was in het midden zelfs een vrije stoel vrijgehouden – met een enigszins demonstratief naambordje ervoor – maar de heer Verspuij hadden ze het uiterste plekje in de rechterhoek toebedeeld. De man zat half in de gordijnen.

Om het woord te kunnen voeren, moesten de deelnemers wachten tot een van de twee vrijwilligers van het buurthuis hen een loopmicrofoon onder de neus kwam duwen. Ook dat genoegen heeft G. Verspuij nauwelijks mogen smaken. De vrijwilligers hadden vooral aandacht voor de anderen. Soms stonden ze met de rug naar hem toe.

 

De heer Verspuij zag eruit als een fatsoenlijke man, met rossig, dunner wordend haar, een ruimvallend, beige-achtig colbert, en een felrode PvdA-sjaal om zijn nek. Fatsoenlijk heeft hij zich ook gehouden. Misschien was hij wat beweeglijk, en werd jij soms een beetje rood. Maar slechts één keer verloor hij zijn geduld en konden we hem vanuit zijn donker hoekje een paar keer keihard het woord ‘Onzin!’ horen roepen.

Aan het einde van het debat zat hij met zijn armen over elkaar, en hield hij zijn hoofd gebogen boven een leeggedronken koffiekopje. We wisten niet wat zich inwendig in hem afspeelde. Zelf zouden we op dat moment worden bezocht en geplaagd door buien van haat en zelfhaat, maar misschien had hij vaker met dit bijltje gehakt en keken we nu wel naar een proces van berusting.

Boven zijn hoofd hing een PvdA-verkiezingsbord. Zo’n driehoekig geval dat je aan de gevel van je huis kunt schroeven. Ideaal voor in straten – van welke kant je die ook in komt lopen, je kunt altijd lezen wat erop staat. Boven het hoofd van Verspuij had je er veel minder aan. De bezoekers zaten naar de punt te kijken, en konden gemakkelijk het gevoel krijgen dat er iets te koop stond.

 

maandag 1 februari
Ik ben toch niet gek


Het was prachtig weer toen ik zaterdag in Groningen de bus nam naar het Centraal Station. Ik ging achter de chauffeur zitten; de hoogste en mooiste zitplaats in de bus. Je hebt de hele voorruit voor jezelf.

 

Het was druk in de stad. Overal stonden auto’s. Overal reden auto’s. Uit elke zijweg probeerden auto’s te komen. Ik had nog nooit zoiets gezien.

‘Het zijn BTW-vrije dagen in de Mediamarkt,’ zei de chauffeur. ‘De stad is de hele dag al totaal ontwricht. Niemand kan een kant op.’

Ik roep in herinnering dat ik in een winkel ben opgegroeid. Ik heb gezien wat korting met mensen doet. Zij zijn tot alles bereid om iets te pakken te kunnen krijgen waar korting op zit. Het is niet het product waar zij zichzelf voor op het spel zetten, maar het verschil tussen de oorspronkelijke en de nieuwe prijs; het niets dus eigenlijk.

Op het Zuiderdiep werd nog beter zichtbaar hoe nijpend de situatie was. Alle kruispunten waren bezet, alle zij- en toegangswegen stonden vol. Velen waren tegen het verkeer ingereden, omdat zij in hun paniek de aanwijzingen van het navigatiesysteem blindelings hadden opgevolgd.

Normaal heb je last van ze. Als je wilt wandelen en het is koopzondag. Als je met de trein moet en ze hebben in het kader van de Boekenweek gratis treinkaartjes uitgedeeld. Vandaag hadden ze zichzelf te pakken, elkaar, in een verrukkelijk verkeersinfarct.

Vanaf mijn hoge positie kon ik in de auto’s kijken: vrijetijdstruien, paniek, ruzie, ergernis, het huwelijk, live. Ik stelde me de situatie in de parkeergarages voor, de Haïtiaanse taferelen in de Mediamarkt, en voelde mij ontspannen en gelukkig; ik had niet voor niets gehaat.

‘Gisteren moest ik even in de Mediamarkt zijn,’ zei de chauffeur. ‘Er liggen daar stofzuigers die wij vier jaar geleden al hebben gekocht.’ Ik boog naar hem toe: ‘De Mediamarkt moet van zijn oude troep af.’

Via de achteruitkijkspiegel genoten wij een kort moment van verstandhouding. Daarna reed hij de bus over een vrije busbaan glorieus naar het Centraal Station.

 


vrijdag 29 januari
Symbolisch


Ten behoeve van de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen is het lokale CDA in Den Haag een ‘burgerinitiatief’ tegen coffeeshops begonnen, en de overlast die zij verondersteld worden te geven, met handtekeningen en acties.

Ik dacht altijd dat burgerinitiatieven door burgers geïnitieerd moesten worden om burgerinitiatief te kunnen heten, maar dat zal aan mij liggen.

Waarom het CDA zo bang is voor coffeeshops werd deze week tijdens een debat verwoord door het kandidaatsraadslid Van Vroonhoven: ‘De overlast. Het rondhangen. Portieken. Ze zijn onder invloed, ze dealen.’ Ze hield een denkpauze, daarna had ze het gevonden: ‘Oude mensen zijn er bang voor!’

Er waren geen burgers aanwezig op het nieuwbouwplein in de Vinexwijk Ypenburg toen het CDA daar in het kader van het burgerinitiatief op een grijze middag een coffeeshop ging sluiten. Symbolisch, want coffeeshops waren er in Ypenburg ook niet. Ja, als je zei dat het nergens op sloeg, zat je er niet ver naast.

 

In het midden van het plein was een tent opgezet. Twee meter hoog, paar meter omtrek – zo’n ding dat je aan alle kanten kunt openlaten, maar ook helemaal rondom kunt dichtritsen. Gebruikers laten het gewoonlijk afhangen van de kracht en richting van de wind.

Aan de buitenzijde van de tent waren camouflagenetten aangebracht, en posters van cannabisplanten, zodat de burgers – die er niet waren – onmiddellijk in de gaten hadden dat de tent een coffeeshop moest voorstellen, en desgewenst ook meteen het initiatief konden nemen tot het ervaren van overlast.

Voor de symbolische sluiting was minister Klink gestrikt. Gehuld in een CDA-windjack ritste hij met zijn rechterhand een laatste flapje van de tent dicht, een handeling waarbij hij zijn linkerarm en linkeronderbeen een beetje van zich duwde, en zich tegelijkertijd opengedraaid hield voor een CDA-fotograaf.

Toen was de symbolische sluiting verricht en konden de lokale CDA’ers beginnen met de tent afbreken en het plein weer schoon, heel en veilig achter te laten voor de burgers van Den Haag.



donderdag 28 januari
Jeltje


Er was een debat gaande over de Haagse gemeenteraadsverkiezingen, en Jeltje van Nieuwenhoven deed er als PvdA-lijsttrekster aan mee. Ze had net iets doms gezegd, iedereen moest lachen, maar dat kon haar niet schelen. Ze keek integendeel alsof er nog wel meer dommigheden zouden volgen ook.

‘Meedoen moet je zelf doen,’ had ze gezegd. ‘Meetellen moet je ook zelf doen. Het verschil is dat de gemeente moet zorgen dat je meetelt, zodat je zelf ook daadwerkelijk mee kunt doen.’

 

Terwijl de concurrerende politici lachten om zoveel vervlogen logica, bleef Jeltje met vrolijke ogen de zaal inkijken. De dubbele woordwaarde van plezier: wie plezier heeft, komt plezierig over.

‘Ik wil het wel even uitleggen,’ zei ze, en begon over het gescheiden zwemmen. Eerst werden allochtone vrouwen in de gelegenheid gesteld om zonder mannen te leren zwemmen omdat het goed was voor de integratie. Nu is hen die mogelijkheid gemeentewege ontnomen omdat het slecht is voor de integratie.

De argumenten voor beide opstellingen mag u er zelf bij bedenken. Opvattingen zijn als kleren of kapsels – ieder decennium denk je weer opnieuw dat je goed zit.

Misschien had Jeltje hier een punt: ‘Ik denk dat een paar partijen vlak voor de verkiezingen even wilden laten zien hoe flink ze zijn.’ Het gescheiden zwemmen is een van de meest heikele verkiezingsthema’s in Den Haag. Als je niet weet wat het woord ‘prangend’ betekend, moet je het gescheiden zwemmen even ter sprake brengen bij een Haags politicus.

Probleem was dat de PvdA ook tegen het gescheiden zwemmen had gestemd en Jeltjes’ concurrenten haar opnieuw uit konden lachen – ze was al niet van deze tijd, en nu viel ze haar eigen partij nog af ook.

Opnieuw bleef Jeltje vrolijk en rustig het zaaltje inkijken. Het kon haar niet schelen wie wat over wat dan ook dacht. Los van het integratiebevorderende of –bedervende gespetter in zwembad De Houtzagerij nam me dit voor haar in. Ze wachtte tot iedereen was uitgelachen. Daarna zei ze: ‘Wat zijn we toch trots op Den Haag dat we die twee uurtjes per week met zijn allen hebben afgeschaft.’



woensdag 27 januari
Posters

Voorafgaand aan een verkiezingsdebat tussen hooggeplaatste vrouwen op de lijsten van lokale partijen in café De Haagsche Kluis kon je een paar VVD’ers pogingen zien doen de volgende verkiezingsposter aan een muur te bevestigen: ‘Vandalen gaan betalen’.

Van de Haagse VVD zijn de komende weken ook nog andere teksten in het straatbeeld te verwachten. Deze bijvoorbeeld: ‘Voortaan iedereen die straf verdient straf’. Het zijn doortastende leuzen, geschreven door mensen voor wie het eindelijk eens afgelopen moet zijn.

De VVD’ers kregen het ding niet aan de muur. Besloten werd een halve meter op te schuiven, en de ‘Vandalen gaan betalen’-poster op een kunstwerk aan brengen, een levensgrote foto op doek, voorstellende een jonge vrouw met hoog haar en wit korset.

In het zaaltje stonden we elkaar toen al even ongelovig aan te stoten – ze gaan dat toch niet echt doen hè, toch niet met punaises? Ze deden het wel. Met plakband, maar toch – soms is ironie zo ironisch dat de lol er bijna afgaat.

We kunnen trouwens nog niet veel zeggen over de posters die andere partijen de komende weken aan het straatbeeld toe gaan voegen. Het CDA verspreidt voorlopig vooral buttons en sjaals in de fluorescerend groene kleur van de christendemocratie. Van de andere partijen nog geen verkiezingsposter gezien.

Alleen D66 – die hebben wel een poster. ‘Anders. Ja. D66’, staat erop, en dat mogen we ingewikkeld vinden, abstract ook wel, en iets te zeer geinspireerd op de veranderingsboodschap van Obama. De posters komen ook in gemeenten waarin D66 in het college zit, maar goed – een kniesoor die daarop let.

Tijdens het debat werd de ‘Vandalen gaan betalen’-poster op het kunstwerk door de VVD even zelf ter sprake gebracht. Met opgestoken wijsvinger zei Iris Michels-Spee: ‘Toen wij onze poster vanavond ophingen, hoorde ik al mensen gillen dat wij “cultuurbarbaren” zijn. Dan denk ik: “Ho! Is vandalisme tegenwoordig ook al cultuur?”’

Het laat zich raden wat de anderen daarop te zeggen hadden. Ter verdediging van mevrouw Michels-Spee willen we gezegd hebben dat zij, eenmaal met haar onhandigheid geconfronteerd, hartelijk om het vernielde kunstwerk en zichzelf kon lachen.

 

 

dinsdag 26 januari
Nootjes

In een zaaltje aan de Haagse Uilebomen voorzag de lokale afdeling van D66 de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van een feestelijke aftrap. De gasten kwamen modern en verstandig over, maar ook weer niet zo modern en verstandig dat het vervelend werd.

Zoals vaker waren ook hier op statafels schalen gemengde nootjes neergezet, die allemaal dezelfde kleur en smaak hadden aangenomen van een gelig, Oosters kruidenmengsel. Als liefhebber van het gemengde nootje is dat kruidenmengsel mij een doorn in het oog.

Bij zulke schaaltjes schijnen mannen te horen die je iets over hun werk vertellen terwijl ze die nootjes zonder veel passie naar binnen werken. In dit geval was dat de lokale D66-campagnecoordinator, een veertiger met bril en jasje van velours.

De man, ik ben zijn naam vergeten, we noemen hem Egbert – Egbert ergerde zich groen en geel aan een filmpje op de website van de lokale VVD. Daarin hadden ze de boel zo verknipt en verdraaid dat het net leek alsof D66 er in de gemeenteraad voor had gepleit om overlastgevende coffeeshops naar wijken te sturen waar ze nu nog geen coffeeshops hadden.

Hoe ze van de VVD dat sinistere montagewerk precies hebben uitgevoerd, kunnen we niet zeggen. We hebben thuis even naar het filmpje gekeken, en het lijkt er inderdaad precies op dat de nummer twee van D66 er in de gemeenteraad voor pleit om coffeeshops naar wijken te brengen waar ze nu nog geen coffeeshops hebben.

Met de kaken stevig opeen geklemd verkondigde Egbert dat hij niet op de provocatie ging reageren. Het onderwerp werd er alleen maar groter van – je speelde de concurrentie er alleen maar mee in de kaart. Dat de VVD het op D66 had gemunt, en de PvdA trouwens net zo goed, kwam alleen maar omdat bij D66 iets te halen viel.

Hierna keek Egbert, net als vermoedelijk alle andere mannen bij schaaltjes gemengde nootjes in de zaal, over mijn schouder, terwijl hij even plichtmatig naar mijn bezigheden informeerde – ‘En wat doe jij zoal?’ Het is dan wel leuk als je kunt zeggen: ‘Ik schrijf lullige stukjes over mensen in de lokale politiek, zoal, Egbert.’

 

 


maandag 25 januari
Onderhoud

Als ik op een hoge positie bij ABN/Amro was aangenomen, zouden Gerrit Zalm en ik het  snel eens zijn over mijn salaris. Met bonussen is op zich niets mis, zouden we vinden. Waar we alleen even naar moesten kijken, is of die bonussen mij wel tot het juiste gedrag zouden prikkelen, en niet bijvoorbeeld tot het verkeerde.

 

We zouden tevreden afscheid nemen, maar bij de deur zou ik me toch nog even omdraaien. ‘Gerrit,’ zou ik zeggen. ‘Gaat alles eigenlijk wel een beetje goed?’

Van Zalm zouden we de bekende taferelen zien. Ellebogen van tafel, ellebogen erop. Vingers in elkaar, vingers uit elkaar. Zijn ogen zouden springerig aan mijn blik proberen te ontsnappen, maar daar ook steeds weer even naar terugkeren. Er zijn nu eenmaal weinig vormen van belangstelling waarin we niet zijn geïnteresseerd.

‘Ik zag je vorige week bij de verhoren van de Tijdelijke Commissie Onderzoek Financieel Stelsel,’ zou ik zeggen, terwijl ik opnieuw plaatsnam. ‘Het viel me lang niet mee. Zelden iemand gezien die zich zo ongemakkelijk voelt. Terwijl, nou ja: zo moeilijk waren die vragen niet natuurlijk.’

‘Die ademhaling van jou,’ zou ik na een korte pauze zeggen, ‘heeft dringend onderhoud nodig. Je blijft maar inademen, al zit je vol tot aan het strottenhoofd. Op die manier is zuurstof net vergif. De mensen denken: en er zit al zoveel zuurstof in die bankier.’

Hierna zou ik de spanning laten varen en overschakelen op iets luchtigers: ‘Dat Dion Graus van de PVV ook in die commissie zit: de gewone mensen willen overal over meepraten, en het resultaat is dat ze er iemand bij hebben die meeluisteren al moeilijk vindt.’

Bij het opstaan zou ik zeggen: ‘Het horloge van Jan Schinkelshoek van het CDA gezien? Dat grote, brede, vierkante, glimmende ding? Een sieraad voor de damespols – ik kan niet anders zeggen.’

Daarna zou ik bonussen en prikkels meenemen naar buiten en Gerrit na een knipoog met zichzelf en zijn gedachten achterlaten. De volgende dag schoof ik dan een folder van een yoga-studio onder zijn deur door, gewoon, vriendschappelijk, en me vast verheugend in een heel andere bankier.           

 

 
vrijdag 22 januari
Burger King


Bij Burger King verkopen ze vlees van dieren die helemaal niet netjes zijn behandeld, maar het was al laat, half tien, er was genoeg gedronken, en onderweg naar huis waren alle restaurants gesloten.

Binnen rook het naar poep. Dat was de vorige keer ook al zo. De techniek staat voor niets. Als ze willen, kunnen ze het naar bloemetjes laten ruiken, maar die keuze hebben ze bij de Burger King dus niet gemaakt.

Oppassende burgers zouden overigens niet gedwongen mogen worden in een poeplucht het woord ‘Whopper’ uit te spreken.

De bestelling was gedaan, ik deed een paar stappen opzij, en herkende in de volgende klant een belangrijk politiek assistent. De belangrijke politiek assistent was niet opvallend slank. Laten we het erop houden dat hij het risico liep bij de KLM voortaan twee stoelen voor zichzelf te moeten reserveren.

Over de vraag of het moreel juist is dat de KLM dikke mensen voortaan dubbele stoelen laat reserveren en betalen, kun je vermoedelijk pas oordelen wanneer je in een vliegtuig bezig bent je achterwerk tussen twee armleuningen te wringen. Wrikken, duwen – en iedereen maar wachten en hoofdschuddend naar je warme geworstel kijken.

En als je eindelijk zit, als het eindelijk is gelukt, dringt tot je door dat je leeftocht en tijdschriften in het bagagerek hebt gelegd, en die niet gaat durven pakken.

Het mag duidelijk zijn: we hebben enigszins met dikke mensen te doen. Het is niet mooi om dik te zijn, en ook niet erg gemakkelijk. Alle stoelen en porties zijn klein. De omvang van je verslaving is door iedereen in kilo’s van je af te tellen. Eten is troost. Zoet, vet, kauwen – even is de wereld goed.

Ik gunde het de politiek assistent dan ook niet dat hij mij met een schokje moest herkennen. Even keek hij zenuwachtig om zich heen, maar het betrappen had zich al voltrokken, daar viel nu niet meer aan te ontkomen. Toen hij zich dat realiseerde, begon hij mij ongevaarlijk aan te kijken en probeerde hij voorzichtig: ‘Heb jij je lunch vandaag ook overgeslagen?’



donderdag 21 januari
Haïti

Wie zijn toch al die bewogen en geroerde vrouwen die me al de hele week in televisiespotjes proberen aan te sporen een bedrag over te maken op Giro 555?

 

Bekende Nederlanders. Denk ik.

Als de aardbeving op Haïti iets laat zien, is het dat we geen sterren meer hebben in Nederland. Alleen vrouwen met borsten die de indruk wekken dat ze te vroeg van de toneelschool zijn gegaan, en denken dat janken ontroering in de huiskamer brengt.

Vroeger. Ach. Toen hadden we nog sterren. Ze glommen, blonken, ze werden door iedereen herkend. Op bezoek bij de opnames van het programma Sterrenslag constateerde een verslaggever van de VARA-gids enkele jaren geleden al: ‘De sterren zijn te herkennen aan de rode hesjes.’

Een paar maanden geleden beklaagde een dakloze op een daklozendag zich op televisie tegen een jonge vrouw: ‘Er zou vandaag toch een Bekende Nederlander komen?’ De jonge vrouw: ‘Dat ben ik. Ik ben de bekende Nederlander.’

Er is trouwens iets onsmakelijks aan de snelheid waarmee Haïtiaanse adoptiekinderen de afgelopen dagen ons land zijn ingevlogen. De kinderen waren sneller hier dan de hulpgoederen daar.

Even ging over de versnelde adoptieregeling van minister Hirsch Ballin in de media deze week een kleine wenkbrauw omhoog, maar toen hebben ze een paar van die schattige kindertjes voor de camera omhoog gehouden en is de stemming radicaal omgeslagen.

In Nova maakte een verslaggever van het woord ‘enorm’ het langste woord dat ik in mijn leven heb gehoord. Tegen een adoptiedeskundige: ‘Dit moet enóórm emotioneel zijn.’ De adoptiedeskundige knikte: ‘Dit is enóórm emotioneel.’

Zo’n aardbeving is goed voor jonge vrouwen met borsten en ambities, en ook wel voor ouders die jaren moeten wachten op een adoptiekind, maar verder?

Correspondent Willem Lust is op Haïti. Op de televisie zei hij deze week: ‘Als ze je gids kunnen worden, of je chauffeur, ja, dan komen ze wel in beweging, maar in de stad doen ze niet veel, en maken ze een apathische indruk.’

Dus het zijn eigenlijk nog rotmensen ook.

 

woensdag 20 januari
Vlekken

Terwijl staatssecretaris Jack de Vries van Defensie ter inleiding van een politiek café in een Haags zaaltje Defensie als waardevol omschreef, worstelde ik inwendig met iets wat we een tweesporenbeleid moeten noemen.

Ik wilde dingen beschrijven, en dingen vragen. Dat gaat niet samen. Wie de werkelijkheid wil beschrijven, moet er met zijn vingers vanaf blijven.

De Vries zat goed in zijn vel. De Vries zit zo vaak goed in zijn vel – een mens krabt zich ervan achter de oren.

 

Iemand uit het publiek wilde weten waarom Balkenende na de presentatie van het rapport-Davids zijn gemak niet had gehouden.

De Vries legde uit dat zoiets in ‘een mediacratie’ gelijk stond aan de oppositie de gelegenheid geven het onderwerp te ‘primen’ en ‘framen’ – een negatief beeld van Balkenende in het collectieve geheugen te etsen. Daarom had hij Balkenende geadviseerd meteen te reageren. Daarom had Balkenende meteen gereageerd.

Domme kracht ook eigenlijk, Balkenende.

Het advies pakte niet goed uit. De PvdA werd boos, bijna viel het kabinet. Dit gaf De Vries ruiterlijk en innemend toe: ‘Verkeerd advies van De Vries.’

Hij had Balkenende dus gezegd zo snel mogelijk te reageren – maar had hij hem ook geadviseerd de conclusies van Davids zo bot mogelijk te ontkennen?

Vanaf het moment dat er crisis dreigde, konden we De Vries een uurtje of 30 achtereen tussen de journalisten zien spinnen en kronkelen. Tegen iedereen zei hij dat zijn strategie niet succesvol was geweest. Dit kon ook weer strategisch zijn, want hoe verhield dit zich eigenlijk met de eerste voorlichterswet van De Vries: wrijf niet in vlekken, kom nooit terug op dingen die niet goed zijn gegaan?

Vragen, vragen, en geen antwoorden – we worstelden net zo lang met ons tweesporenbeleid tot we geen vragen meer mochten stellen.

Na afloop drukte De Vries mij even ferm en vrolijk de hand. Dat had hij me bij binnenkomst ook al geflikt. Toeschouwertje was ook figuurlijk gezien. Het tweesporenbeleid was een slecht beleid. Wat dat betreft was het niet vreemd geweest als we De Vries voor de derde keer die avond even ferm en vrolijk de hand hadden geschud.



maandag 18 januari
Sorry

In het ‘Gesprek met de minister-president’ begon Pim van Galen vrijdagavond op de televisie iedere vraag aan Balkenende met het woord ‘sorry’.

Misschien was hij moegestreden. Ook voor de verslaggevers van de publieke omroep was het een roerige week. Ze hadden zich met zijn allen op het crisisnieuws gestort, zakelijk georganiseerd, hiërarchisch. Na afloop stond geen emotie meer overeind.

Onderaan in de hiërarchie stonden de jongens en meisjes in de kou bij Balkenende’s ministerie te dringen. Zodra een minister naar buiten kwam, informeerden zij zonder dralen naar diens gevoelens. Hoe ervaart u dit? Hebt u nog vertrouwen? Hoe voelt u zich?

 

Op enkele meters afstand stond een nieuwsduider opgesteld. Iemand met ervaring – het begrijpen komt met de jaren. Tot voor kort was dit Bram Schilham, maar die heeft een akkefietje gehad. Hij zou presentator worden, een stapje mogen maken. Toen dat niet doorging, is ter compensatie een nieuwe functie voor hem bedacht. We vrezen dat we de speciale klimaatcorrespondent nog vaak voor het zappen uit een vliegtuig zullen zien stappen.

De nieuwe nieuwsduider heet Dominique van der Heyde. Zij is erg verguld met de nieuwe taak. Dagenlang mocht ze in elk Journaal haar visie op de gebeurtenissen geven. Het was wel zo dat die visie elk uur precies hetzelfde was. ‘De emoties lopen hoog op,’ is het enige dat we haar hoorden zeggen. ‘De emoties lopen hoog op.’

We dachten aan Margriet Brandsma, die andere duider van de NOS, intussen Duitsland-correspondent. Toen zich enkele jaren geleden ook eens tientallen journalisten voor een spannende Haagse deur verdrongen, was Brandsma als de kippen ter plekke. Met grote ogen zei ze in het Journaal: ‘We weten niet wat er binnen gebeurt!’

Nog een paar meter verder van het strijdgewoel verwijderd kon je Ferry Mingelen op en neer zien lopen, met lange benen, zonder de knieën te buigen, één hand aan de riem, een grijns op het gezicht. Als je zo tevreden mag ijsberen, heb je de top van de hiërarchie bereikt. Dan ben je zo hoog dat je sorry mag zeggen tegen de premier.

 

 
vrijdag 15 januari
Opkikker


Vanaf half tien ‘s ochtends was er in het ministerie van Balkenende crisisoverleg met Bos en Rouvoet, en vanaf dat moment werd het pleintje voor dat ministerie bevolkt door enkele tientallen verslaggevers, cameramensen en fotografen.

Het duurde ongeveer een uur voordat de kou zich door je schoenzolen had gevreten en aan je doorzettingsvermogen begon. Niet iedereen was op de omstandigheden voorbereid, maar die aardige fotograaf van de GPD zag eruit alsof hem niets kon gebeuren. Grote schoenen, muts met oorflappen, goed humeur.

 

We moeten eerlijk zijn: er had zich een tintelend genoegen van de journalisten meester gemaakt. Een crisis is vermoedelijk altijd leuk, deze had iets speciaals: daar ging hij, Balkenende, daar zou hij eindelijk gaan.

‘s Nachts zou het sprankje worden gesmoord in politiek en taal en konden we dof naar huis, maar dat wisten we toen nog niet.

Het werd tien uur, elf uur. Heel af en toe zag iemand beweging in de hal. Een troep journalisten is snel in opperste staat van paraatheid te brengen. Vooral de aardige GPD-fotograaf was scherp – hij stond iedere keer als eerste vooraan.

Het werd twaalf uur, een uur. De verhalen over wat zich binnen moest afspelen werden sterker – het ging daar helemaal niet goed.

Tussen een en twee kwamen Bos en Rouvoet dan eindelijk naar buiten. Ik had wel eens eerder een kluwen journalisten zich aan politici zien opdringen, aan Verdonk bijvoorbeeld, Wilders in de Fitna-tijd, maar de intensiteit waarmee het nu gebeurde, was nieuw. Je voeten maakten niet de hele tijd contact met de grond.

Bos en Rouvoet liepen door – het journaille vloog er achteraan. Vijf seconden later was het plein leeg. Ik stond er nog, twee of drie agenten. Toen kon je van een afstandje de aardige GPD-fotograaf aan zien komen lopen, koffiekan in de ene hand, plastic bekertjes in de andere. Hij had voor iedereen gehaald.

Hij kwam vlak naast me staan. Samen keken we een minuutje zwijgend over het lege plein. Hij gaf een bekertje, schonk in. Het bleek lekkere koffie te zijn, lekker warm ook. Je kikkerde er helemaal van op.

 


donderdag 14 januari
Trui


Wat zei Pechthold nou precies toen hij maandagavond op een besneeuwde buitenlocatie over het rapport-Davids voorbeschouwend werd geinterviewd in het Journaal?

Hij droeg een trui, dat weet ik nog wel. Het was een bijzondere trui, heel warm en dik, bijzonder van motief ook, met een ritsje in de licht opstaande kraag. Pechtold keek erbij alsof de trui hem inwendig niet bewoog. Hij keek alsof het hem om de inhoud ging, niet om de vorm. Daar hadden wij een ander beeld bij.

 

Soms kom je een man tegen die je al een tijdje kent. Ineens draagt hij een enorme warme trui. Ik denk dan altijd dat ze die van hun vrouw hebben gekregen. Zo gaat het bij mij tenminste. Iedere keer als een vrouw het met mij uitmaakt, ontdoe ik mij onmiddellijk van alle warme truien die ik van haar gekregen heb.

De liefde ben je kwijt, maar die truien ook.

Vorig jaar kreeg ik van mijn vriendin een gevaarte van een groene trui, met rits en dikke kraag. Marco Borsato kon zich er zo in tegen een Ierse rotswand laten fotograferen, zichzelf omarmend, en met blote voeten, dat heb ik ook nooit begrepen. De voering was van een soort gladde kunststof, zodat de trui bij elke beweging geluidjes maakte. Woosh-woosh. Woosh-woosh.

Toen ik vroeg waarom ze mij toch zo graag in warme truien zag, kantelde haar gezicht en begon zij een beetje verliefd naar mij te kijken. Ik had al vlug in de gaten dat die blik niet mij gold, maar de warme trui die zich in haar verbeelding om mijn schouders sloot.

Ik heb het even voor u nagevraagd, maar in de kwestie-Pechtold speelde zijn vrouw geen enkele rol. Ze was er niet, die bewuste maandag. Pechtold heeft de trui zelfstandig uitgekozen. Hij moet hem mooi hebben gevonden, hij moet hebben gedacht dat de trui hem prima stond.

Maar wat zei hij nou in het Journaal?

Na het interview ontving Pechtold veel sms-jes. ‘Had je nou een trui aan?’ ‘Spannend motief.’ ‘Mooie trui, nieuw?’

Later bij RTL Nieuws droeg hij een overhemd.



dinsdag 12 januari
Brandweerauto


Het mooist aan het onderzoek naar burgemeester Leers en zijn ongelukkige investering in een villaatje in Byala was de brandweerauto die hij zijn Bulgaarse ambtgenoot had beloofd. Leers zei dat hij die brandweerauto niet als burgemeester had beloofd, maar als privépersoon.

Het is ook niet altijd gemakkelijk om privé en werk te scheiden – je zit snel in grijs gebied. Balkenende die merkt dat zijn vrienden in de vee-industrie last hebben van Europese natuurregels en als premier de voorzitter van de Europese Commissie vraagt die regels te versoepelen – niet zo goed. Balkenende die ziet dat hij zijn eigen stoep niet sneeuwvrij heeft gemaakt en de Nederlanders als premier vraagt de stoep te vegen – al ietsje beter.

We hebben trouwens ook zo maar het vermoeden dat vanochtend na de presentatie van het rapport van de commissie-Davids, die de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in Irak onderzocht, een paar vrolijke brandweerauto’s naar buiten komen rijden.

Nadat Balkenende de Amerikanen steun aan de oorlog had beloofd, werd De Hoop Scheffer secretaris-generaal van de NAVO. Als dat geen brandweerauto is, moeten Balkenende en De Hoop Scheffer president Bush in 2003 als privépersonen hebben bezocht.

Over het algemeen zijn onderzoekscommissies mild. Hoewel we nog niet eerder privépersonen brandweerauto’s zagen uitdelen, vond de commissie dat Leers alleen ‘de schijn van belangenverstrengeling had gewekt’.

Het meest vrezen kabinetsleden dan ook ‘het ongecontroleerde mediabeeld’ dat vandaag zal kunnen ontstaan. Balkenende mocht het rapport van de commissie Davids vooraf niet inzien, en kon dus ook nog niet alvast beginnen met spinnen en afspraken maken met de NOS.

Mocht er toch een ongecontroleerd mediabeeld ontstaan, is er nog niets aan de hand. Na het onderzoek naar de Schiphol-brand is het ook gebeurd. De privépersoon die in het detentiecentrum achteloos een peukje in de prullenbak had gegooid, werd weliswaar na acht maanden isoleercel het land uitgekieperd, de ministers Dekker en Donner hoefden maar even hun officiële functies neer te leggen.

Die Bulgaren kunnen die brandweerauto intussen trouwens op hun buik schrijven. Als je niet in staat bent even een privé-investering vlot te trekken, blus je ook je eigen brandjes maar.



maandag 11 januari
Muppie


In Groningen en Drenthe werd het nieuws de afgelopen weken gedomineerd door een kat die op Oudejaarsdag een rotje in het kontje gestopt had gekregen.

Ik vond het ook zielig voor die mevrouw uit Klazienaveen die de ontplofte kat gevonden had en op de voorpagina van het Dagblad van het Noorden stond. Volgens de krant was zij èn ‘heel verdrietig’, èn ‘heel boos’.

 

Ook Culemborg drong door – zo Gronings zijn we ook weer niet. Ik verwacht niet dat de Molukkers, de Marokkanen van mijn jeugd, het ooit nog zullen afleren om het voor Nederlanders op te nemen.

En dan had je nog de undercoveroperatie bij de PVV door een verslaggeefster van HP/De Tijd. Sinds ik de eerste regel van haar artikel las – ‘Ik had hem kunnen doden.’ – spookt door mijn hoofd wat ik allemaal met haar had kunnen doen. Ik had haar kunnen neuken, bijvoorbeeld. Maar dat is achteraf.

Ze had wel gelijk: de beveiliging in de Tweede Kamer stelt weinig voor. Ik wist dat al een tijdje, maar dacht: van mij zullen de terroristen het niet horen. Nu kan ik wel zeggen dat ik dinsdags om 13.55 uur naar de Tweede Kamer loop. U hoeft mij maar neer te knuppelen, mijn pas af te nemen, en u schiet zo uw magazijnen leeg in het parlement. Als u het netjes vraagt, kunt u het pasje trouwens ook wel krijgen.

Donderdag opende het Dagblad van het Noorden met het bericht dat de eigenaren van de kat zich hadden gemeld. Volgens de krant was Oriëta de Groote ‘vooral heel verdrietig’ en Jeroen Potters ‘vooral heel boos’. Zij hadden de emoties onderling kunnen verdelen, die mevrouw uit Klazienaveen kon alles in haar eentje doen.

Tegen de kinderen hadden Oriëta en Jeroen gezegd dat ‘Muppie per ongeluk tegen vuurwerk was aangelopen’. Ze hadden er niet bij gezegd met welke kant Muppie precies tegen vuurwerk was gelopen, en dat vond ik verstandig. Nu geloven ze alles nog, maar als kinderen ouder worden, gaan ze dingen toch toevallig vinden.

Muppie. Ik wist natuurlijk niet hoe het Dagblad erover dacht, maar ik vind: zo ga je niet met dieren om.