dinsdag 12 juli
Smeets
Uit de mond van Mart Smeets is iedere zin een objet trouvé. Soms lijken zijn woorden alleen maar uitgesproken om columnisten van kopij te voorzien. Je kunt ze zo overschrijven. Er is aan veranderen, zou zonde zijn.
Het is verleidelijk uit zijn oeuvre te citeren, maar de taal van Smeets is al vaak bespot, en vermoedelijk zelfs genoeg.
Eentje dan: ‘Deze krachtmens Cancellara wil op vakantie met zijn vrouw. Dat is zijn andere kant, zijn zachte kant. Cancellara zegt: Ik wil niet alleen bekendstaan als die verschrikkelijk grote sportman. Ik ben ook een andere mens. En met die andere mens hebben wij niets te maken. Dat vind ik een juiste constatering. Zijn vader zegt: Jij doet dingen in huis, dat zijn vrouwendingen. Cancellara staat zo anders in het leven.’
Volgens Smeets staat elke renner anders in het leven, en dat zou zomaar eens kunnen komen omdat hij zelf een beetje anders in het leven staat; iets meer dan gemiddeld als een poseur misschien. Maar het is ook een prettig bewijs van zijn eeuwig enthousiasme. Ik kijk en luister al decennia naar Smeets – niemand brengt samenvattingen van koersen beter en aanstekelijker tot leven dan hij.
Dit is zijn laatste Tour. Volgend jaar moet hij met pensioen. De politieke partij 50Plus heeft hierover publieksonderzoek verricht en een persbericht uitgebracht. Het is vermoedelijk om andere redenen, en het blijft verder gewoon een egoistische rotpartij, maar ik ben het wel erg met ze eens dat ze Smeets bij de NOS beter op de schouders kunnen nemen dan hem een beetje gedwongen met pensioen te sturen.
maandag 11 juli
De woorden van een held
Ik merkte dat veel mensen erg over de renner Johnny Hoogerland te spreken waren, maar zelf slaagde ik er tot gisteren helemaal niet in om hem in het hart te sluiten. En dat kwam heus niet omdat hij een beetje raar kan praten – ‘h’ zegt als het ‘g’ moet zijn – want ik kom zelf uit een gebied, Zuidoost Drenthe, waar we Enk uit Herica tegen Henk uit Erica zeggen.
Het was meer het kinderlijke enthousiasme dat hij aan de dag legde toen hij na de eerste Touretappes de bolletjestrui had veroverd, de witte trui met rode stippen voor de aanvoerder van het bergklassement. We willen allemaal wel eens in zo’n stoere bergtrui rondrijden in de Tour, het probleem was meer dat hij die trui had gewonnen zonder dat de renners ook maar een fatsoenlijke berg hadden hoeven beklimmen: de enige punten voor het bergklassement waren op bruggen vergeven.
Helemaal trots en gelukkig reed Johnny niettemin in de Tour. Hij droeg daarbij niet alleen de bolletjestrui die de organisatie hem gegeven had, wat normaal zou zijn geweest, maar ook in een bolletjesbroek en op een bolletjesfiets, die hij zelf had meegebracht naar Frankrijk. Op andere renners moet dit zo ongeveer de indruk hebben gewekt als zagen zij een collega slapen onder een bolletjesdekbedovertrek.
Bij de eerste de beste berg die in het parcours opdook was Johnny zijn felbegeerde kleinood trouwens meteen weer kwijt.
Gisteren moesten de renners voor het eerst wat bergjes over – hooggebergte was het nog altijd niet. Vooraf had Johnny gezegd dat hij de trui zou heroveren. Dat zal wel, dachten we. Maar hij deed het. Hij zat meteen in de kopgroep, en veroverde onderweg meer dan voldoende bergpunten voor zijn geliefde trui.
Toen gebeurde het merkwaardige ongeluk. Een auto van de Franse tv week uit voor een boom, reed de renner Flecha ondersteboven, waarna Johnny ondersteboven door de lucht vloog en in het prikkeldraad langs de weg belandde.
Daar lag Johnny in het gras, met overal snijwonden en haast geen broek meer aan zijn kont, en met een been opgetrokken in de houding van een kind dat moet worden getemperatuurd. Ongelukken gebeuren. Daar is meestal weinig ethiek bij, maar volgens vele commentatoren, Maarten Ducrot voorop, moesten wij ons bij dergelijke ongelukken diepe, diepe morele vragen stellen.
Gehavend en onthutst kwam Johnny over de finish. Huilend nam hij zijn bolletjestrui in ontvangst, huilend stond hij de pers te woord. Wat vond hij van de auto - stelde hij zich al diepe morele vragen? Nee, zei Johnny. ‘Niemand doet zoiets expres.’
Ik verheug met niet op de Erik Hulzebosch-achtige loopbaan die hem binnenkort wel in het vooruitzicht zal worden gesteld, en nog minder op de carnavalshit waartoe de gebeurtenissen van gisteren tekstschrijvers zullen inspireren, maar onder de omstandigheden zijn dit toch wel een beetje de woorden van een held.
Sardientjes
Het was omdat ik mijn toilettas in de handbagage had gestopt en alle haarverzorgingsproducten bij de douane had moeten achterlaten dat ik op het centrale plein van Lissabon met plat haar werd opgevangen door de mooiste televisieverslaggeefster van Portugal om over het toerisme te worden geïnterviewd.
Ze bracht haar schitterende gezicht bij het mijne, hield een microfoon onder mijn neus en vroeg waarom ik voor Lissabon had gekozen. Wat sprak mij aan? Wat ging ik bezichtigen? Waar verheugde ik mij op?
‘Ja, eh, sardientjes,’ zei ik. ‘Gegrild. Heerlijk. De witte wijn. De eh, sardientjes.’
‘En verder?’ vroeg ze. Ik dacht diep na. Hoe mooier de gesprekspartner, des te meer je van je eigen woorden ging verlangen. Dat was een van de vele exponentiële effecten die mooie vrouwen op je hadden.
Lissabon was niet erg interessant. Als je van paard en wagens hield, elektriciteit of porselein, kon je naar het museum. Enkele kloosters hadden de aardbeving van 1755 overleefd, maar die waren geblokkeerd door mensen zonder belangstelling voor geestelijk leven; ze maakten er foto’s om ze thuis te laten zien aan mensen die daar ook geen belangstelling voor hadden.
Ik zei nog iets, ze liet me nog een paar Portugese termen herhalen, die ik uitsprak als een omgekeerd vraagteken, daarna mocht ik gaan. Toen ik wegliep, realiseerde ik me dat ik minstens acht keer ‘sardientjes’ had gezegd. Niet uitgesloten was ook dat ik daarbij een hand naast mijn oor had laten wapperen – ‘Hmm, sardíentjes!’
En ik wist ineens heel zeker dat ze de man met het platte haar als de blooper in de uitzending zouden versnijden. Telkens kwam die dork uit Holland even tussendoor – ‘Hmm, sardíentjes!’ Over twee dagen zouden de mensen mij met wapperende handen langs de oren gaan begroeten. Ze hadden hier natuurlijk ook een De Wereld Draait Door.
Ik liep verder, de stad in, de vakantie. Mijn voorbereidingen op de verkiezingscampagne moesten nog beginnen, maar op een bepaalde manier kon je ze ook wel weer als voltooid beschouwen. En zo lekker waren die sardientjes nu ook weer niet.
woensdag 19 januari
Hoop
Job Cohen stond op een borrel die zijn fractie voor parlementaire journalisten had aangericht. Het was een beetje een ongemakkelijke borrel; misschien omdat er weinig gasten waren. Op schalen lagen stukjes worst, op een verrijdbaar trailertje werd een kratje Heineken lauw.
Cohen had het niet gemakkelijk. Rechtse politici werden lacherig als het over hem ging, na een interview met hem schudden journalisten meewarig het hoofd, kiezers keerden zich van hem af, met sterke argumenten schreven belangrijke columnisten dat hij een nieuwe baan moest zoeken.
Hoe zou het voelen als de hele wereld zich van jou heeft afgekeerd? Hoe sta je op, hoe ga je naar je werk, hoe kom je thuis, welke boeken lees je dan, naar welke televisieprogramma’s gaat je voorkeur uit?
Zelf zou ik voor iets licht amuserends kiezen, geloof ik. In romantische komedies komen verliezers uiteindelijk altijd goed terecht.
De borrel duurde voort, het ongemak ook, en ik keek naar Job Cohen. Het gekke was: hij zag er beter uit dan toen we hem nog mochten. In de nieuwe PvdA-spotjes keek hij nog steeds hardnekkig naast de camera, maar er zat wel weer wat glans op zijn ogen. Nu ook weer, terwijl hij hoog in zijn handen klapte en zijn ongemakkelijk borrelende gasten welkom heette.
Bij Pauw&Witteman leek hij laatst iets van plezier te hebben. In NRC Handelsblad gaf hij een duidelijke mening. Ook over de nieuwe missie naar Afghanistan hoefde hij niet lang na te denken. Sommigen vonden zijn snelle afwijzing onbegrijpelijk, maar de vraag was of zij dat over enkele weken nog steeds zo vonden.
Als iedereen tegen je is, wordt het vanzelf een beetje saai om tegen je te zijn. Als iedereen tegen je is, wordt het misschien wel interessant eens te proberen voor je te zijn. Met welke argumenten dat moest gebeuren, was nog even een goeie, maar waar een wil is, volgen de argumenten, dat zie je aan de JSF, en ook wel aan Afghanistan. Het was hierop dat Cohen leek te speculeren: in de uitzichtloosheid school de hoop.
vrijdag 14 januari
Gezichtscommentaar
Jeanine Hennis van de VDD heeft een expressief gezicht, waarop zij in hoog tempo allerlei zeer uiteenlopende uitdrukkingen kan vertonen. Afschuw, ongerustheid, woede, afkeuring. De basisuitdrukking is er een van gespannen afwachting. Zij luistert naar tegenstanders in het debat met een gezicht alsof zij naar een uitzending van Funniest Homevideo’s zit te kijken, en er elk moment iets zeer gaat doen.
Als er in de Kamer iets te lachen valt, is mevrouw Hennis vaak de eerste die het in de gaten heeft. Het gezicht, waar eerst bijvoorbeeld nog dodelijke vermoeidheid heerste, breekt open. Breed lachend kijkt zij naar collega’s naast haar. Die begrijpen niet altijd wat er leuk is, maar lachen wel een beetje met haar mee, collegiaal en ongemakkelijk.
Veel uitdrukkingen waarmee mevrouw Hennis haar commentaar op woorden van tegenstanders geeft, bevinden zich in het negatieve spectrum. Irritatie, boosheid, ongeloof, verbijstering. Dit is niet alleen mevrouw Hennis aan te rekenen, maar natuurlijk ook de oeverloze domheid van de gesprekspartners.
De meest bijzondere uitdrukking volgde op een opmerking van mevrouw Berndsen (D66) in het debat over de nationale politie: ‘Mijnheer Brinkman spreekt over politiemannen, maar er werken ook vrouwen bij de politie.’ De wenkbrauwen van mevrouw Hennis werden opgetrokken, de huid van bovenlip en oogleden werd tot maximale lengte uitgerekt, de mond zakte open, de mondhoeken doken naar beneden; onthutst keek zij door spleetjes van ogen keek zij enkele keren van links naar rechts.
Toen mevrouw Berndsen ook nog toevoegde: ‘De politie heeft het al zo druk, en straks moet zij zeker ook nog dat boerkaverbod handhaven,’ werd het Hennis teveel. Zij wierp haar hoofd voorover, hield het gezicht tot vlak boven het tafelblad, schudde driftig van nee, en sloeg zich herhaaldelijk met beide handen op het achterhoofd.
Hero Brinkman zei: ‘Er zijn helemaal niet veel boerkadraagsters, dus is een verbod handhaven ook niet veel werk.’ deze opmerking deed mevrouw Hennis goed. Ze keek schuins op, begon te lachen, en kwam weer langzaam overeind. Zij had eindelijk iets verdraaglijks gehoord.
donderdag 13 januari
Grote kerel
’s Middags zat Henk Bleker achter een tafel in het regeringsvak van de Kamer. De staatsecretaris van Landbouw droeg een double-breasted pak met brede revers en een streepje. Uit het borstzakje stak een witte, driehoekige pochet.
Nu nog stond minister Opstelten de Kamer te woord, straks was Bleker aan de beurt. Bleker gebruikte de tijd om stukken te lezen, en onderwijl diep na te denken, heel diep, opzichtig diep, met alle fronzen, zuchten en onderkinnen die daarbij horen. Wat niet wordt gezien, wist hij, bestaat niet: het denken werd af en toe onderbroken door een schielijke blik naar de zaal.
Het denken doet Bleker er niet zomaar een beetje bij, ook antwoord geven gaat met interne worstelingen gepaard. Antwoorden ontstaan laag in de heer Bleker. Terwijl die zich langzaam omhoog werken, krijgt de staatssecretaris het steeds moeilijker. Zijn wangen worden roder en beweeglijker, hij begint zwaarder te ademen, steeds heviger te snuiven. Juist als toehoorders vrezen dat er adertjes in zijn ogen zullen knappen, komt iedere keer weer onverwacht iets voor de hand liggends uit zijn mond. Ja. Of nee.
‘Is dat mooi? Nee, dat is niet zo mooi. Gaan wij dat anders doen? Ja, dat gaan we anders doen.’
Opstelten was klaar, wilde weglopen, maar werd onderweg naar de uitgang nog even door Bleker opgevangen. Bleker gaf hem een hand, legde een hand op zijn schouder, en bracht zijn wang dichtbij die van Opstelten. Eigenlijk was het zo: de kleine Bleker trok de grote Opstelten even kameraadschappelijk zijn persoonlijke ruimte in.
Het geheel had iets samenzweerderigs, iets maffia-achtigs. Alsof Bleker de onbewaakte Opstelten in de gauwigheid met een ongevraagde levering hoefdieren probeerde te corrumperen. Zo liep Opstelten ook weg, verbaasd achterom kijkend – alsof hij dacht: staan ze echt al in mijn achtertuin?
Tevreden, zich misschien al verheugend in de toekomstige tegenprestatie, liep Bleker langzaam naar zijn plaats terug. Hij zette de leren puntschoenen breed voor zich uit, en liet armen en jaspanden breed wapperen, alsof hij een grote kerel was.
maandag 10 januari
Gelukkig
Op een ochtend zegt Loes tegen haar man Henk: ‘Die man die ik op vakantie heb ontmoet, Arie– weet je nog? Zullen we eens een weekend bij hem op bezoek gaan?’
Enkele weken later – de kinderen worden ergens ondergebracht – tuigt het echtpaar naar de stad van Arie. Zaterdagavond wordt er gelachen en gedronken. Tijdens het katerontbijt de volgende ochtend schraapt Loes haar keel: ‘Henk, we moeten je iets vertellen. Arie en ik zijn verliefd. Voortaan gaan wij met zijn tweeën verder.’
Het duurt niet lang voordat voor Henk een nieuw huis is gevonden, en Arie zijn plaats in het gezin inneemt. Het huis vult zich met groot geluk. De kinderen hebben geen moeite de nieuwe huisgenoot met ‘papa’ aan te spreken.
Soms is het lastig fictie en werkelijkheid uit elkaar te houden. ‘s Ochtends lees ik in de huwelijksverhalen van Raymond Carver. ’s Middags komen we het nieuwe echtpaar tegen op straat. Arie wijst op de buik van een zwangere vrouw in het gezelschap, en zegt: ‘Leuk. Ik heb zelf ook kinderen.’ Trots vist hij daarna enkele foto’s van Henks’ kinderen uit zijn portemonnee.
Met iedereen gaat alles goed, alleen Henk doet soms wat ingewikkeld. In gedachten zien we hem staan in zijn nieuwe huis. Vanuit een schemerige keuken kijkt hij door het raam naar buiten. Er was een tijd, nog niet eens zo vreselijk lang geleden, dat niemand ervan had opgekeken als Henk zich met enige theater onder een stoomtrein had geworpen. Tegenwoordig krijgen Henken te horen: Het leven gaat door. Je moet wel blijven communiceren.
Uit de tijd van de stoomtrein komt de beroemde regel van Tolstoj: ‘alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar’. Dit is vermoedelijk hetzelfde gebleven. Het nieuwe gezin liet een foto maken, in zwart-wit. Gevijven komen zij daarop uit een bocht in een besneeuwde straat gelopen, hand in hand, stralend van geluk.
De foto is als kerstkaart rondgestuurd. Vanaf allerlei schouwen in het land – we hopen niet dat Henk er eentje heeft gekregen – wenst het nieuwe gezin ons allemaal een gelukkig nieuwjaar.
dinsdag 30 november
De grote erotische verhuizing
Tijdens een winterwandeling kwam ik langs een oud herenhuis, waar een jonge vrouw woonde, en een pijnlijke herinnering uit de tijd dat ik juist gearriveerd was in de stad, en elke ochtend eenzaam koffie dronk in hetzelfde café
Iedere ochtend werd ik door de jonge vrouw bediend. Er hing veel seks om haar heen. Als ze de koffie neerzette, scheerden haar borsten langs mijn neus. Ik kreeg de indruk dat ik haar favoriete koffiedrinker was.
Al vlug begreep ik dat zij kwetsbaar was, beschadigd en vroeg in de steek gelaten. Haar moeder had altijd een papagaai op haar hoofd. Tijdens een vakantie, ze zat nog niet zo lang op zwemles, vloog die papagaai van dat hoofd in een bergmeer, en gooide de moeder de dochter achter die vogel aan het water in.
Ik raakte geobsedeerd door een dubbele reddingsfantasie. Er was maar één weg uit haar en mijn misère, en dat was de weg van het vlees. Het probleem was: er stond teveel op het spel. In haar nabijheid was ik een lege huls met jagende hormonen, die communiceerde in korte, paniekerige klanken.
Op een moedige dag vroeg ik of ze zaterdag koffie wilde drinken. ‘Zaterdag ga ik verhuizen,’ zei ze. De jonge vrouw en ik hebben toen beiden een vreemd hoog stemmetje waargenomen, dat mijn mond gebruikte om te zeggen: ‘Hulp nodig?’
Niet eerder heb ik mezelf zo rauw en roekeloos vervloekt als in de dagen voor de grote erotische verhuizing. Ik kende haar niet eens. Wat moest ik daar? Hoe ging ik mezelf een houding geven? Zaterdagochtend stond ik vroeg voor haar deur. De kamer stond vol met mannen zoals ik. En ze woonde gemeubileerd: er viel niets te verhuizen.
Een man droeg een beautycase van de trap, een ander een etui met oude cassettebandjes, ik kreeg de verantwoordelijkheid over een arm doorzichtige bloesjes. Ik bracht ze naar de auto, en ben ook nog meegereden naar het nieuwe huis.
Ik ben haar nog een keer tegengekomen, jaren later. Aanvankelijk herkende ik haar niet. Ze deed veel aardiger tegen mij dan ik tegen haar.
vrijdag 26 november
Ortholon Brain-mood
Het was alweer een paar weken geleden, maar nu ontwaakte ik met een stralend humeur. Onderweg naar de badkamer dacht ik dat ik nog dronken was, wat vreemd was, want de vorige avond was er niet gedronken. Niet overdreven, althans. Maar gewoon, normaal.
Met grote passen ging het naar het station, waar ik plaatsnam in een stille coupe. We reden door Groningen en Drenthe, en ergens aan de verkeerde kant van de IJssel dacht ik: wat zijn de kranten toch boeiend vandaag, en wat smaakt mij die koffie toch lekker.
Na de kranten richtte ik de blik naar buiten. Het was lang geleden dat ik dat had gedaan, terwijl ik vroeger een liefhebber was, of een slome duikelaar; dat weet ik niet meer. De cesuur was waarschijnlijk te vinden in de periode dat ik naar het Binnenhof vertrok – een kleine observatie waar je grote conclusies uit kon trekken, maar het hoefde niet; je kon het net zo gemakkelijk laten.
Morgen, misschien vandaag al, zou het gaan sneeuwen, een beetje volgens de ene krant, afschuwelijk volgens de andere, en konden we Martin Bril gaan missen. ‘Ha – sneeuw,’ zou die zijn column beginnen, en de rest van het stukje zijn best doen zo snel mogelijk een bos te bereiken om daar de eerste voetstappen in de sneeuw te kunnen zetten.
Nu was de lucht nog zo helder dat hij aan die boven New York deed denken. Het licht hing scherp tussen de kale berken en legde een matte glans over de klei. Later zagen we bruggen, viaducten en gebouwen op rangeerterreinen, en dacht ik: wat is Nederland toch eigenlijk mooi.
In een stroom aardige mensen verlieten we het station. Bij de eerste oliebollenkraam vroeg ik me af: waar was al die opgewektheid eigenlijk aan te danken? Aan de wereld kon het niet liggen, en zoveel goeds had ik de laatste tijd zelf ook niet gedaan. Ik kwam er niet uit, peinzend liep ik verder, tot ik bij me bij een tweede gebak met een schokje realiseerde: verdomme, die plantaardige antidepressiva werkt echt.
donderdag 25 november
Een simpel verhaal
Het mooie Volkskrant-interview met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie wordt nog mooier als hij overeind probeert te houden dat er volgend jaar drieduizend agenten bij komen, terwijl er nu 49.500 agenten zijn, en volgend jaar ook.
Misschien zijn naar de smaak van de minister al teveel vraagtekens bij zijn eigenzinnige wijze van rekenen geplaatst – bij het eerste opgetrokken wenkbrauwtje van de interviewers raakt hij overstuur: ‘Dit is verkeerd. Dit is niet fair! Die extra agenten komen er wel!’
Het wordt niet beschreven, maar je denkt dat de minister hierna, als de ergste agitatie is geweken, voorover buigt en de vingertoppen aan elkaar zet. De interviewers leunen achterover. Geamuseerd noteren zij: ‘De minister legt het nog een keer uit.’
En daar gaat Opstelten: ‘Even de som. Want het is een simpel verhaal. U zegt: Er zijn toch al 49.500 agenten. Oké. Dat constateer ik. Prima. Dat is een natuurlijke ontwikkeling. (…) Maar ik ben Rotterdammer en die geeft een euro pas uit als die er is. Om wat voor reden dan ook zijn er nu 49.500 agenten.’
Wat aan de rekenmethode van de heer Opstelten als eerste opvalt, is dat hij, anders dan te doen gebruikelijk, weinig cijfers gebruikt, maar wel veel woorden. Je hebt ook niet onmiddellijk het idee dat elk woord op de zaak slaat.
Op zeker moment – de minister heeft het al een beetje warm gekregen – komt hij tot de volgende zespuntenwedstrijd-achtige redenering: ‘Eigenlijk moesten per 1 januari drieduizend agenten weg. Dat gebeurt nu niet. Dus constateer ik: met dit kabinet krijgt u er drieduizend agenten bij die er anders niet waren geweest.’
Geef nou gewoon toe, denken we, dan ben je ervan af en hebben we het er niet meer over. Maar we hebben te maken met een hardnekkige minister. Eenmaal op het glibberige pad van de taalkundige berekeningen gestapt, zal hij dat tot in de verre eenzaamheid vervolgen. We lopen naar huis als we uit de verte nog een paar laatste tonen horen: ‘Zo is het. Een simpel verhaal. Dat ga ik spijkerhard overeind houden.’
dinsdag 23 november
De verschrikkelijke media
PVV’er Sharpe gaf zijn Kamerzetel niet op omdat zijn bedrijf voor oplichting is veroordeeld, maar omdat hij ‘op de nationale tv als oplichter was neergezet’. We moesten ons ‘eens voorstellen hoe dat voor zijn kinderen’ was. ‘Zo’ kon Sharpe ‘niet meer werken’.
Hero Brinkman maakte excuses aan een Nieuwspoort-barkeeper omdat die ‘zich geïntimideerd had gevoeld’, niet omdat hij hem misschien geslagen had. Voor de rest kreeg ‘het verschrikkelijke perscentrum Nieuwspoort’ de schuld.
Gidi Markuszower trok zich niet van de PVV-kandidatenlijst terug omdat hij de wapenwet had overtreden, maar omdat de media hem onder ‘een negatief vergrootglas hadden gelegd’. Daar voelde hij zich ‘niet senang bij’.
Volgens Wilders was de ontucht van Lucassen ‘niet wat wij onder ontucht verstaan’. Naar Halsema riep hij dat zij ‘tien toontjes lager moest zingen’, want ‘Brinkman was nooit veroordeeld’. Nee, allicht. De barkeeper heeft geen aangifte gedaan. Hij verkoos vermoedelijk rust boven nationale bekendheid als slachtoffer.
Het is altijd de buitenwereld, het zijn altijd de media die het hebben gedaan, een ‘hetze voeren’, de ‘PVV bashen’. Dit gedrag werkt. Presentatoren doen plotseling populistisch. RTL Nieuws verzoekt alle Kamerfracties de eventuele veroordelingen van hun leden te openbaren. Alles om te voorkomen dat de mensen de PVV’ers gaan geloven.
De media moeten niet bang zijn. De PVV’ers hebben geen gelijk. Sterker: het tegendeel is eerder het geval. Een voorlichter vertelde me dat hij in de nazomer van 2009 door Hero Brinkman in het gezicht is geslagen. Het gebeurde onder de ogen van meerdere journalisten van de NOS, van wie ik er een met resultaat om bevestiging heb gevraagd. De NOS’ers hebben er geen melding van gemaakt. Hoe discreet wil de PVV de media hebben?
Ik weet dit al enkele maanden, maar heb het voor me gehouden omdat ik dacht: je moet mensen niet lastigvallen met zaken die zij voor een spijtbetuiging hebben uitgespookt, hoe halfhartig die misschien ook was. In het gepiep en geweeklaag van de PVV’ers heb ik aanleiding gevonden het nieuws alsnog met u te delen.
maandag 22 november
Een dooie mus
De laatste keer dat ik bij Pauw&Witteman aan tafel mocht zitten – u hebt er weinig van gemerkt, en aan de verkoopcijfers te zien nog minder van de aanleiding – was ook Linda er te gast. Linda. Onze Linda. De Linda met wie we allemaal wel zo’n beetje zijn opgegroeid, en vermoedelijk ook wel zullen sterven.
Ter promotie van de 69e editie van haar glossy Linda had zij een actie bedacht: onder nieuwe abonnees werden prijzen verloot. Winnaressen mochten kiezen tussen een handtas of twee uur gratis een gigolo aan huis.
De actie gaf aanleiding voor debat aan tafel. Er is altijd reden voor debat. Ook als die ontbreekt. Het land lijdt aan de debatziekte. Gasten worden nog zelden aan een vraaggesprek onderworpen, maar krijgen iemand tegenover zich die speciaal is ingehuurd om het met hen oneens te zijn, en de ongemakkelijke vragen te stellen.
Er zijn allerlei verschillende mensen met wie de debatziekte zich openbaart, maar met Arend Jan Boekestijn wordt zij onbehandelbaar. Het is overigens gissen waar de ziekte toe zal leiden. Misschien worden in de talkshow van de toekomst gewone gasten overbodig.
Tegenover Linda zat een dame die de actie onverkwikkelijk vond, al was het omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat nieuwe abonneetjes ongevraagd een gigolo aan huis zouden krijgen, met allerlei onvrijwillige gevolgen in de hal en op de trap van dien.
Linda verdedigde zich grandioos. Het ging er niet om hedonistische dames gratis te laten pompen. Het ging haar erom eenzame vrouwen met handicaps en huidaandoeningen eindelijk – nu Linda het taboe op gigolo’s had gebroken – ook eens van een beetje welverdiende lichamelijkheid te kunnen laten genieten.
De actie van Linda heeft intussen handen en voeten gekregen, maar de eenzame vrouwen met handicaps en huidaandoeningen hebben in De Telegraaf onthutst op Linda’s vrijgevigheid gereageerd. Een gigolo bleek onwerkbaar klein geschapen – ‘een dooie mus’ – een ander zat een avond met buikloop op de wc, een derde had foto’s van vrouw en kinderen meegebracht.
vrijdag 19 november
Allemaal vrouwenmishandeling
Nu kranten zoveel lelijks over PVV’ers naar buiten hebben gebracht, wordt het tijd dat ook krantenschrijvers bij zichzelf te rade gaan, de lezer aan kijken en eerlijk toegeven: niet alleen James Sharpe, ook ik heb me aan vrouwenmishandeling schuldig gemaakt.
Ik was deel van een hysterisch stelletje, graag gezien op feestjes; met ons viel altijd wat te beleven. We zetten het op een zuipen, begonnen elkaar hartstochtelijk te omhelzen of heel hard tegen elkaar te schreeuwen. Soms volgden de emoties elkaar sneller op en begonnen we tijdens omhelzingen al tegen elkaar te schreeuwen.
Die avond fladderde zij flirtend tussen de gasten van een feestje door. Af en toe kwam ze naar me toe om te vertellen dat die en die niet alleen wel goede boeken schreef, maar ook zo heerlijk naar zweet rook dat ze met hem naar huis wilde gaan.
Na afloop bleek onze fiets door vijftig andere ingesloten. Ik begon ze te verwijderen, eerst voorzichtig, maar allengs, onder haar commentaar, steeds woedender. Ergens is er toen een opmerking teveel geweest en gaf ik haar een schop tegen de schenen.
Het is een geluk dat ik geen Kamerlid ben, en haar de afgelopen week niet op televisie over mijn karakter heb hoeven horen uitweiden. De pech bestond eruit dat zij huilend de straat uitrende, rechtstreeks ons stamcafé in, waar men zich collectief over haar en haar zere been ontfermde.
Toen ik daar na vijf dagen eenzame zondenoverpeinzing mijn hart aan wat vriendschap probeerde op te halen, bleek dat iedereen zich van mij had afgekeerd, en zei men dat men nooit meer met mij om wilde gaan. Verbannen keerde ik naar huis terug, kookte een maaltijd, nam het bord mee de kamer in, struikelde, en zag de pasta en tomatensaus droevig van het bord in een colbertje glijden, dat op de grond lag.
Tot diep in de nacht zat ik stil en zwijgend op de bank. Alles werd kaal, stil en donker. Ik voelde mij verdrietig en alleen, en ik had hele erge honger.
donderdag 18 november
Lucassen werkt aan het vertrouwen
Het was zo’n ochtend dat het lichaam bij het opstaan al weet dat er iets niet lekker zit, maar het nog even duurt tot de gordijnen opzij zijn geschoven voordat de hersenen taal aan de situatie geven: oja, ik zou vandaag beginnen het herstellen van vertrouwen.
Lucassen schoor hoofd en wangen, en treinde in zijn beste pak naar Den Haag. Onderweg naar de Kamer overwoog hij gebak te kopen, maar gelukkig zag hij zichzelf in gedachten het hoofd al snel om de beveiligde deuren van collega’s steken, en grijzend naar de bijkeuken wijzen: ‘Er zijn moorkoppen hoor!’, en verwierp hij de gedachte.
Later, als hij een collega eens zou horen klagen dat die zijn kamer nog moest opruimen, de fietsband nog moest plakken, kon Lucassen misschien actiever worden. Als die collega dan later op zijn drempel constateerde dat alle kusjes al waren geklaard, kon Lucassem hem een bemoedigd knikje geven. De collega wist niet wat hem overkwam, maar Lucassen wel: hand over hand nam diens vertrouwen toe.
Zwijgend zat hij de fractievergadering uit. Onderweg naar de vergaderzaal van de Kamer probeerde hij zo weinig mogelijk journalisten tegen te komen. Het hielp dat die zich op zijn collega James Sharpe hadden geworpen, die Hongaarse consumenten had opgelicht, en iemand eens na een wedstrijd met de spikes van zijn hardloopschoenen in het gezicht had geramd.
Ook de debatten s middags en s avonds zat Lucassen zwijgend uit. Het was allemaal niet fraai wat hij had gedaan, ontucht gepleegd, daarover ook nog tegen Wilders gelogen, maar het was net alsof de oppositie met iedere moralistische veroordeling meer spanning van het thema wisten te halen, alsof met iedere opmerking van Pechtold of Halsema meer Nederlanders begonnen de schouders op te halen.
Lucassen probeerde er niet van te genieten. Hij had zich deemoedig in zijn zetel geinstalleerd, de ellebogen op het tafelblad, de handen gevouwen. Zo zou hij de hele middag blijven zitten, de hele avond ook, zonder een woord te zeggen, zonder zich te bewegen. Zo zou hij ook de komende maanden blijven zitten. Werken aan het herstel van vertrouwen was allereerst een oefening in onzichtbaarheid.
woensdag 17 november
Het voordeel van ontucht
Het was een koude namiddag toen we de heer Van der Staaij (SGP) opvallend licht en snel over de Haagse Herengracht naar het station zagen lopen. Hij droeg een donker pak, donkere schoenen en een donkere overjas. Je moest goed kijken, maar dan vergat je het ook niet meer: in alle onderdelen van de uitmonstering zat een glimmetje geweven.
Mannen met glimmetjes in de kleren – je kon er wel van alles bij bedenken, heimelijke gevoelens bijvoorbeeld, maar dan kwam je al snel op het terrein van de kwaadaardige speculatie. We konden ons niet in zijn gedachtewereld verplaatsen, dat zal de fantasie hebben aangewakkerd. We stonden ongelovig naar hem te kijken. Grimmig dachten we: die kleren glimmen niet voor niets.
Het waaide hard, en Van der Staaij hield de pas er stevig in. Zijn wangen waren rood. Vermoedelijk om extra toevoer van zuurstof mogelijk te maken, trok hij zijn bovenlip een eindje op, zodat zijn voortanden zichtbaar werden.
Het is snel gegaan met Van der Staaij. Eerst vertrok Van der Vlies, en werd hij baas van de SGP. Toen vroeg de rechtse regering hem om steun. Even leek het dat Lucassen vanwege ontucht de PVV moest verlaten en de coalitiepartijen nog sterker van hem afhankelijk zouden worden.
Ontucht doet hem goed. Hoe meer ontucht, des te machtiger de SGP, en des te sterker de overheid tegen ontucht op zal kunnen treden. Onze Lieve Heer heeft oorzaak en gevolg weleens anders aan elkaar gekoppeld, maar daar kan Van der Staaij niets aan doen. Zijn ontucht was het niet. Hij heeft de ontucht niet gepleegd.
Even stond Van der Staaij stil. Lucassen mocht blijven, en dat was op zich wel jammer. Van de andere kant kon PVV’er Hernandez elk moment worden vervolgd voor geweldpleging of werd bekend dat PVV’er Sharp veroordeeld was voor misleiding, en begon alles opnieuw. En ach, ontucht, geweld, fraude – als de coalitiepartijen maar bij hem kwamen. In de politiek telde alleen het resultaat.
Hij haalde adem, en zette opnieuw koers naar het station. Even nog zagen we hem stevig voortstappen, daarna stak hij zijn kin schuins op naar links en sloeg hij zwierig rechtsaf de hoek om.
Ontucht is ontucht
De affaire-Lucassen sleepte zich al enkele dagen voort, het lukte Wilders niet de zaak tot een goed einde te brengen, maar nu was het maandagmiddag en stond hij de pers te woord.
Lucassen mocht blijven, zei hij, de overtredingen waren fout, en als sanctie had hij hem zijn woordvoerderschappen afgenomen. Nu was het zaak ‘naar de samenleving toe aan herstel van vertrouwen te werken’.
Een verslaggever zei: ‘Maar ontucht is toch niet goed te praten?’ ‘Dat doe ik ook niet,’ zei Wilders. ‘Het was ook fout. Maar het misdrijf waarvoor de heer Lucassen is veroordeeld, ontucht, is niet wat de gemiddelde Nederlander onder ontucht verstaat, namelijk seks tegen de wil van een minderjarige.’
Van deze woorden klopte weinig. Om niet te zeggen dat het genuanceerde kletspraat was. De gemiddelde Nederlander had gelijk. Ontucht is ontucht. Daar hoort volgens Wilders een keiharde minimumstraf op te staan, onafhankelijk van de verzachtende omstandigheden.
De beste vraag kwam van Fons Lambie van RTL: ‘Wat moet je dan in vredesnaam doen om wel uit uw fractie te worden gezet? Wilders: ‘Ik heb gezegd wat ik heb gezegd. Dat de heer Lucassen, door het afpakken van zijn portefeuille, en een excuusbrief naar de mensen die last van hem hebben gehad, conform de uitspraken van de rechter, in de fractie kan blijven.’
Een beetje gegeneerd, met naar binnen gekrulde lippen, keek Wilders deze fraaie regels na. Niet eerder hadden we iemand gezien die in zo korte tijd zo weinig van zichzelf intact had gelaten. Wilders zelf ook niet. Zijn oogleden hingen. De glans was van zijn ogen. De nederlaag had zich dof op zijn gezichtshuid vastgezet.
Maar we begrepen het wel hoor, we dachten het althans te begrijpen. Wilders was bang dat de coalitie gevaar zou lopen, en dat de mensen zouden zeggen: de vrolijkheid bij de PVV is nog vrolijker dan bij de LPF. Om te voorkomen dat hij het lachertje van het decennium zou worden, koos hij ervoor het lachertje van het jaar te zijn.
maandag 15 november
De vlugge voetjes van Wilders
Al drie jaar lang staan parlementaire verslaggevers dinsdagsmiddags bij de grote vergaderzaal te wachten tot Wilders aan hen verschijnt. De journalisten vinden het spannend als hij er eindelijk is, en blijven hem, terwijl zij langzaam achteruit lopen, kleine vragen stellen, die Wilders geamuseerd en zelfverzekerd beantwoordt.
Vrijdagavond kregen we in Nieuwsuur opeens een heel andere Wilders te zien. Eentje die schielijk langs de muren de pers probeerde te ontvluchten. Een verslaggever ging erachteraan. Hij vroeg: ‘Hoe heeft u de afgelopen dagen beleefd?’ Het was omfloerst voor wat Wilders-aanhangers op de Telegraaf-site aldus verwoorden: ‘Hee slappe zak, heb je die smerige crimineel nou nog steeds niet uit je fractie geflikkerd?’
Wilders hield het tempo er goed in. Af en toe keek hij op, lachte schaapachtig, en zei dat hij ‘de zaak tot op de bodem uit ging zoeken’. Dat was een beetje onzin natuurlijk. We hadden allemaal de beelden van de trillende bejaarde gezien die door Lucassen jarenlang is geïntimideerd. Er viel niets meer uit te zoeken. Lucassen was al veroordeeld, voor ontucht.
Een dag later zou een dame in het RTL Nieuws overigens verklaren dat Lucassen met haar niets strafbaas had gedaan: de seks was vrijwillig, er was geen sprake van gezagsverhoudingen. Maar dat zijn nuances en verzachtende omstandigheden waar Wilders effectief mee afgerekend heeft.
De verslaggever drong aan, in de loop antwoordde Wilders dat hij ‘zorgvuldig met de zaak wilde omgaan,’ zodat we thuis al een beetje een idee kregen van hoe de zorgvuldige gesprekken met Lucassen eruit zouden zien. Wilders: ‘Ga nou weg, alsjeblieft. Straks halen we met de rechtse coalitie de 87 dagen niet eens.’ Lucassen, gedecideerd: ‘Ik ben niet iemand die meteen opgeeft als het een beetje moeilijk wordt.’
De laatste meters van zijn aftocht liet de verslaggever de heer Wilders in zijn eentje afleggen. Als kijker bleven we aangeslagen achter. Er was van alles mis met Wilders. Alle onderdelen waren onklaar. Alleen de voetjes deden het nog, waarop hij zo vlug mogelijk in het donker probeerde te verdwijnen.
vrijdag 12 november
Wilders gaat op onderzoek uit
Buurtbewoners hadden gezegd dat PVV-Kamerlid Lucassen hen jarenlang heeft bedreigd en geïntimideerd, Wilders beloofde de zaak tot op de bodem uit te zoeken, en gistermiddag al kwamen drie bewaakte limousines op snelheid Haarlem ingereden.
Omwonenden van Wilders’ bewaakte bunkerwoning klagen vaak over de snelheden van de limousines, maar moeten die voor lief nemen. Straks vermomt een aanslagpleger zich nog eens als klaar-over.
Bij huisnummer 25 werd halt gehouden. Wilders, Lucassen en vijf bewakers renden de huiskamer binnen, waar een vrouw met rood piekhaar zat. ‘Heeft hij jou “dikke zeug” genoemd?’ vroeg Wilders. ‘Ja, eh,’ zei de vrouw. Wilders: ‘Heeft hij jou “dikke zeug” genoemd of niet?’ ‘Misschien,’ zei de vrouw, ‘een heel klein beetje dan.’
Er volgde kort overleg. ‘Dikke zeug’ was op zich wel goed getroffen. En als iets waar was, kon het niet strafbaar zijn – dat had Wilders tijdens zijn proces nog duidelijk uitgelegd. In Der Spiegel zei hij ook al: ‘Mir geht es um die Wahrheit.’
Op straat liet een bejaarde man zijn hondje uit. Aan de politie vertelde de bejaarde huilend dat Lucassen hem eens drie kilometer lang van zeer nabij had gevolgd. Ook zou Lucassen zijn gehoorapparaat hebben vernield. Op tv zei hij: ‘Je wilt flink zijn, maar de angst staat in je schoenen.’
Na drie kilometer hadden Wilders, Lucassen en de bewakers de bejaarde ingehaald. ‘Heeft hij jou gevolgd?’ vroeg Wilders. De bejaarde antwoordde niet. ‘Heeft hij jou gevolgd of moest hij toevallig ook die kant op? Dat kan hè. Niet alles draait om jou.’
De man keek naar de grond, plotseling bevangen door angst dat zijn hondje iets zou worden aangedaan. Je zou zo’n bejaarde eens flink door elkaar willen rammelen, en zeggen: ‘PVV’ers zijn juist grote dierenvrienden!’
Wilders kon niet strafbaars vinden; opgelucht rondde hij zijn onderzoekingen af. Als Lucassens veroordeling voor ontucht in Ermelo onbekend zou blijven, en RTL Nieuws daarover niet met allemaal onthullingen zou komen, kon zijn Kamerlid gelukkig nauwelijks iets verweten worden.
donderdag 11 november
Thee, met koekjes
Twee zaken hebben de boze burger tot razernij gebracht. Na een misdrijf kregen Marokkaanse pubers geen straf, maar een knuffelende gezinsmanager op bezoek. Als de sigarenwinkel op de hoek weer eens was beroofd, zeiden regenten: ‘Niet de criminaliteit is toegenomen, maar uw gevoel van onveiligheid – kijk maar naar onze statistieken!’
De afgelopen jaren liet Fred Teeven (VVD) geen kans onbenut om zich als ‘boevenvanger’ te afficheren. Als Marokkaanse jongeren iets verkeerds deden, bulderde zijn woede door de Kamer. Dit gedrag heeft bij de burger zoveel vertrouwen gewekt dat hij nu namens hen als staatssecretaris de jeugdcriminaliteit een lesje mag gaan leren.
Dinsdag voerde Teeven zijn eerste debat als staatssecretaris, en konden we horen welke maatregelen de boevenvanger het straattuig had bereid. Aanleiding was een incident in de Goudse wijk Oosterwei. Tijdens een buurtevenement hadden Marokkaanse kinderen bloembollen naar een clown gegooid.
Nu kunnen tijdens buurtevenementen niet snel teveel bloembollen naar gesubsidieerde clowns worden geworpen, maar ik weet dat het maar een voorbeeld is, en het helemaal geen kwaad kan als de bontkraagjes, die bij het minste krijsen: ‘Ik ga jou klappen, ik ga jou kopstoot geven!’, eens in emmertjes koud water worden gedompeld.
De boevenvanger stond minder zelfverzekerd in de Kamer dan we van hem gewend waren. Misschien was het zijn spreektekst, die door Mohammed Rabbae geschreven leek. Zachtjes zei hij: ‘Het beleid van gezinsmanagers heeft al veel vruchten afgeworpen.’ Even later, nog zachter: ‘De statistieken laten zien dat het in Gouda alweer een stuk beter gaat.’
Met warme wangen en grote ogen stond Teeven na afloop de pers te woord, wankelend van ongeloof over wat hij zichzelf zojuist had aangedaan. Aan de paniek in zijn ogen zag je dat hij begreep dat de grootste ramp nog moest komen. De arme boevenvanger moet persoonlijk polshoogte in Oosterwei komen nemen, en het kan niet anders of daar gaat een bezoekje aan een buurthuis van komen, vol welwillende Marokkanen, thee, koekjes en fotografen.
Een therapeutische paradox
Ik was negenendertig, toen Harry Mulisch naar zijn laatste rustplaats werd gebracht, de heerser van de paradox. Tweehonderd kilometer verderop keek de psycholoog van het intakeformulier op, en zei: ‘Je hebt alleen de ruimte achter “probleemomschrijving” vrijgelaten. Wat scheelt eraan, waarom ben je hier?’
‘Ik heb de twijfelziekte,’ zei ik. ‘Ik word er knettergek van, anderen ook. De dagelijkse deadline geeft mij nog enige beschutting. Zonder zou ik taartbeslag zonder bakvorm zijn, en eindeloos in de breedte uiteenvloeien, tot hooguit iets waar een ander over uit zou kunnen glijden. Een vloeibare bananenschil.’
‘Dus je hebt een goed huis,’ zei hij. ‘Een stabiele relatie, genoeg geld en de vrijheid om te schrijven wat je wilt. Gaat er nou nooit eens een belletje rinkelen, valt er nooit eens een kwartje, van: ik heb het helemaal voor elkaar?’
Ik dacht even na, maar ik hoorde bijna nooit iets. Heel soms, als ik alleen was, het huis stil, en ik mijn ogen stevig sloot, hoorde ik, ergens in de verte, zachtjes iets ineen zijgen. Maar of dat mijn persoonlijkheid was, de beschaving of het schuurtje achter ons huis, kon ik er niet uit opmaken.
‘Heb je wel een probleem?’ vroeg hij. ‘Ik twijfel,’ zei ik, ‘dat zal u niet verbazen. Misschien is het geen probleem, maar gezeik.’ ‘Ja,’ zei hij, ‘precíes.’ ‘Hee,’ zei ik. ‘Gezeik vóór mij, bedoel ik. Als een ondercategorie. Niet ván mij. Niet zo gretig.’
We raakten in een therapeutische impasse. ‘Als je niet weet waar het aan ligt,’ zei hij, ‘kan ik je niet in behandeling nemen.’ ‘Als ik wist waar het aan lag,’ zei ik, ‘hoefde ik hier niet te komen, want dan wist ik waar het aan lag.’
Mulisch moest intussen op Zorgvliet zijn aangekomen, ik zat bij de therapeut, en ik had geen idee waarom ik daar zat. Op zich had ik dit vaker, om niet te zeggen de hele dag, dat ik mij op plekken en plaatsen bevond waarvan ik me afvroeg wat ik er in vredesnaam te zoeken had, en dat was eigenlijk ook meteen de reden dat ik er zat.
De morele administratie van Leers
Minister Leers beschikte over een brief van het Europees Hof voor de Mensenrechten die hem verhinderde Irakezen naar hun land terug te sturen. Hij hield deze brief achter voor het parlement. De heer Koppejan was van brief en handelwijze van Leers op de hoogte, wist dat uitzettingen toch niet door konden gaan, en kon daarom met onbezwaard gemoed tegen een motie stemmen, waarin Leers werd gevraagd die uitzettingen op te schorten.
Ik denk dat minister Leers en de heer Koppejan over een moreel kompas van hetzelfde merk beschikken, of er misschien wel eentje delen.
Deze week kon ik op een avond de afstandsbediening niet tijdig vinden, en werd ik ongewild getuige van een interview met Koppejan. Opgewekt zei hij: ‘Ik ontbijt altijd in mijn onderbroek. Yoghurt met muesli. Ik heb dat altijd in een minuut op.’
Een nagenoeg naakte Koppejan in een slobberige onderbroek wijdbeens op een keukenstoel, die met de snelheid van de waanzin een schaaltje yoghurt leegvreet. Je moet verder in het leven, je kunt niet bij de pakken neer gaan zitten, maar dat beeld zullen we wel nooit meer echt kwijtraken.
Werken wij nu de morele administratie van minister Leers bij. Dit hadden we al: hij moest aftreden als burgemeester omdat hij rond een Bulgaarse vakantievilla belangen had verstrengeld. Hij was groot tegenstander van Wilders, maar ging, toen hij minister kon worden, snelletjes voor Wilders op zijn knieën liggen.
Hij is nog geen week minister, en houdt nu al een brief achter voor het parlement. Twee hoogleraren ontdekten deze week dat hij zijn Bulgaarse privébelangen – ondergebracht in het bedrijf ‘Fiducia-Trajectum’, een naam als een bekentenis – veel dichter bij zich had gehouden dan ministers mogen. Ook moest hij even snel wat aandelen van een ander bedrijfje aan familieleden overdoen.
Zijn commentaar luidde: ‘Ik wil iedere schijn van belangenverstrengeling vermijden.’ De heer Leers klinkt als een man die op heterdaad is betrapt, en zegt: ‘Om de schijn van incest te vermijden, zal ik nu even van mijn dochter afrollen.’
Het nieuwe debatteren
De heer Linschoten van de VVD is veel man en veel liberalisme in veel kostuum. Er hangt iets gesoigneerds om hem heen. Van een afstandje komt hij verstandig over.
Voor de VVD vervult Linschoten eenzelfde rol als Hans Hillen en Jack de Vries voor het CDA hebben gedaan. Hij verschijnt vaak op televisie om het VVD-geluid te laten horen. Hij heeft geen officiële functie in die partij, en kan, zodra hij op een of andere wijze in ongenade is gevallen, zomaar weer bij de camera’s worden weggetrokken.
In het programma Buitenhof debatteerde hij met mevrouw Karabulut van de SP over de dertigduizend banen die door het nieuwe kabinet bij de sociale werkvoorziening worden wegbezuinigd. Volgens Karabulut was dit verschrikkelijk, want deze mensen konden geen echt werk verrichten, zouden in een isolement raken, wat weer hartstikke veel zorgkosten met zich mee zou brengen.
Linschoten ging niet op haar argumenten in, maar stelde er zijn eigen argumenten tegenover. Dit is het nieuwe debatteren, dat onterecht met jij-bakken in verband wordt gebracht, omdat het eigenlijk tegenaanvallen zijn. Voordelen daarvan zijn dat je jezelf niet hoeft te verdedigen, en het leven van de argumenten van de tegenstander in de hoofden van kijkers zo kort mogelijk houdt.
Het argument van de heer Linschoten luidde als volgt: ‘Er zijn veel mensen die onterecht gebruik van de sociale werkvoorziening maken.’ Zo ontmaskerde hij een nieuwe mensensoort, dat misbruik van onze voorzieningen maakt, en met wie dan ook hard moet worden afgerekend.
Hoewel zij heel wel in staat zijn een bus te besturen, of willekeurig welke andere werkzaamheden te verrichten, doen zij dit expres niet, maar gaan in het arbeidsbureau met een gemeen lachje in de verkeerde rij staan, met als doel de rest van hun leven tussen gestoorden en gehandicapten stickers op TENA Lady’s te kunnen plakken.
Zij hebben een maas in de wet gevonden, het systeem te pakken genomen. ‘s Nachts, als de normale Nederlander zich te ruste heeft gelegd, lachen zij door het zolderraam sinister naar de maan.
Een verschrikte veldmuis
In de laatste minuten voordat de heer Knapen voor de eerste keer als staatssecretaris het woord zou voeren, zat hij naast minister Rosenthal in de Troelstrazaal. Hij krabde aan zijn knie, krabde aan zijn heup, keek als een verschrikte veldmuis het zaaltje in.
Mijnheer Knapen kennen we als correspondent en hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Als bestuurder van PCM, uitgever van onder andere de Volkskrant en NRC, haalde hij het Engelse rooffonds Apax binnen, waardoor bij de kranten nog steeds reorganisatie gaande zijn, en journalisten worden ontslagen.
Met een bonus van anderhalf miljoen vertrok Knapen bij PCM, nam zitting in een denktank bij Buitenlandse Zaken, en raakte aldus voldoende met Verhagen bevriend om staatssecretaris te kunnen worden, ongeveer zoals mevrouw Van Zanten-Hyllner volgens fluisteringen door haar vriendschap met mevrouw Verhagen voor het staatssecretariaat in beeld kwam.
Het zoeken naar bewindslieden, in die laatste fase voor de bordesscène, gaat nog op dezelfde wijze als in 2002, toen in villawijken na het avondeten allerlei projectontwikkelaars bij elkaar op de keukendeur kwamen kloppen met de vraag of ze geen bewindspersoon wilden worden. Zorg, Cultuur. Ze mochten zelf kiezen.
Nu was in de Troelstrazaal minister Rosenthal nog aan het woord, maar het kon niet lang meer duren voordat de heer Knapen aan de beurt kwam. Hij pakte een pen, liet de pen uit zijn handen glippen, sloeg de armen over elkaar, kuchte, krabde, zuchtte, wipte onder de tafel onbedaarlijk met zijn voeten.
Kijken naar Knapen bracht je op de paradoxale gedachte dat er een mate van concentratie op de werkelijkheid bestaat die je ervan vervreemdt.
We zullen de eerste zinnen van de heer Knapen tot het parlement niet citeren, dat zou gemeen zijn. Laten we het erop houden dat die meer stamelingen bevatten dan journalisten gewoonlijk uit transcripties van interviews met Cohen moeten schrappen.
De heer Knapen kan goed voor zichzelf zorgen. Niemand hoefde medelijden met hem te hebben, maar we hadden het wel, allemaal, en niet zo’n beetje ook.
dinsdag 2 november
Vreemde smetten
Vorige week maakte Rutte ‘een geoorloofd onderscheid’ tussen bewindslieden met een tweede Turkse, en een tweede Zweedse nationaliteit. De Turkse overheid bemoeide zich met onderdanen in het buitenland, de Zweedse regering deed dat niet.
De kwestie roept de vraag op in hoeverre bewindslieden met alleen een Nederlands paspoort loyaal en onafhankelijk zijn. Wat doen grote landen en bedrijven om hen in een ongemakkelijke positie te brengen?
Met grote stappen toog Rutte vorige week naar Brussel om de jaarlijkse afdracht van Nederland aan de Europese Unie naar beneden te dwingen. Hij kwam terug met drie procent verhoging. Hij mag ook al niet aanschuiven bij de G20. Sneller dan minister Hillen tijdens debatten in slaap kan sukkelen, rijgt Rutte knetterende nederlagen aan elkaar. Zou hij zich nog vrij voelen om het Nederlandse belang te dienen, of zal hij zich ten opzichte van de wensen van grote landen voortaan al iets inschikkelijker tonen.
Je weet niet of Wilders afhankelijk is van Israëlische donaties, je mag het ook niet weten. Martin Bosma poseert altijd zo blij met T-shirts en vlaggetjes met de woorden ‘Israel’ en ‘Defence’ erop, dat het ook goed mogelijk is dat ze bij de PVV al dolgelukkig zijn met een maandelijkse zending toeristische parafernalia van de markt in Tel Aviv.
Als burgemeester van Maastricht raakte minister Leers al zodanig in de greep van een enkele Bulgaarse projectontwikkelaar dat hij gratis brandweerauto’s begon uit te delen. Hij was een groot tegenstander van Wilders. Toen hij minister kon worden, ging hij zo snel mogelijk voor Wilders op zijn bonige katholieke knietjes liggen om vergiffenis af te smeken.
Misschien moet je er bezwaar tegen maken dat Albayrak de Armeense genocide niet bij de naam durft te noemen. Misschien moeten we echt bang zijn dat burgemeester Aboutaleb morgen wordt gedwongen om het in een Marokkaans uniform tegen de opstandelingen in de Westelijke Sahara op te nemen. Van de andere kant heb je met mensen als Leers in je ‘team’ geen vreemde invloeden nodig om de hanen te kunnen horen kraaien.
Het fascisme als kroeldoek
In het programma Pauw & Witteman zei Ramsey Nasr, de Dichter des Vaderlands: ‘Wilders heeft een autoritaire, ondemocratische partij, richt zich tegen één groep, decrediteert de rechtspraak. Volgens het woordenboek ben je dan een fascist.’
Niet alleen volgens het woordenboek van Nasr is Wilders een fascist, hij voldoet ook aan de ‘negen activerende hartstochten van het fascisme’ die de Amerikaanse wetenschapper Paxton onderscheidt, en die gelden als objectieve standaard om fascisme te typeren, zoals professor Leijnse in de Volkskrant zeer precies heeft uitgelegd.
Om een paar te noemen: een gevoel van crisis waar geen traditionele oplossingen voor zijn; het geloof dat de eigen groep geslachtofferd wordt, wat elke daad tegen de interne vijand (links) en de externe vijand (islam) rechtvaardigt; de behoefte aan een nationale leider, wiens instinct boven de rede gaat; het recht anderen te domineren.
De vraag is niet of Wilders een fascist is, dat is hij onmiskenbaar, de vraag is waarom deze vaststelling met lange gezichten gepaard moet gaan.
Niet iedere fascistische partij leidt tot oorlog en tirannie. Er hebben in de geschiedenis heel veel fascistische partijen bestaan; velen zijn onbekend gebleven. Iedereen heeft het recht een fascist te zijn. Rutte zei het al: een glas is half leeg, of half vol. Hij stak een leeg glas omhoog, maar een kniesoor die daar op let. Het ging even om het beeld.
Na het debat over de regeringsverklaring werd Rutte door Kamerleden gefeliciteerd. Toen Wilders aan de beurt was, werden wij toeschouwer van de praktische uitwerking van de begrippen intimiteit en uitbundigheid. Zij grepen elkaars handen, omhelsden elkaar, streken over elkaars ruggen, drukten de wangen dicht tegen elkaar aan, braken open in gelukzaligheid.
Rutte knuffelde het fascisme. Misschien denkt de heer Rutte dat het fascisme een kroeldoek is, misschien geeft het hem een prettig gevoel. Links knuffelt de islam, rechts knuffelt het fascisme. Daar kun je ballen in je buik van krijgen, je kunt ook eens zeggen: er is veel liefde in het land.
donderdag 28 oktober
Mysterieuze krachten
In het parlement legde Wilders ‘takiyya’ uit, het leerstuk dat moslims soms toestaat tegen niet-moslims te liegen. Toen iemand hem voorwierp dat hij daarmee zei dat moslims onbetrouwbaar zijn, antwoordde hij: ‘Nee hoor. Ik leg alleen uit wat takiyya betekent.’
Nu een tweede paspoort van een staatssecretaris niet Turks is, maar Zweeds, dient hij niet opnieuw een motie van wantrouwen in. Op vragen hierover zei hij: ‘Logisch, het vorige kabinet wilde ik zo snel mogelijk weghebben.’
Tegen mensen die aannamen dat Wilders het eens was met de Duitse anti-moslimuitspraken die hij aanhaalde, zei hij: ‘Dat heb ik niet gezegd. Ik citeerde. Dat is wat anders.’
Andere politici zouden op dit gedrag nogal zijn afgerekend. Er zou hen inconsequentie zijn verweten, het kruiperig wegdraaien onder eigen uitspraken. Wilders blijft fier overeind, er kleeft hem nooit iets aan, hij komt overal zo makkelijk mee weg dat je hem bijna mysterieuze krachten toe zou kennen.
Wat helpt is dat hij zich nooit in de verdediging laat drukken. Bij bezwaren, zegt hij: ‘U kunt bezwaren maken tot u een ons weegt, ik ga verder met mijn verhaal.’
Hij weet zich ook door vierentwintig volgelingen gesteund. Alles wat Wilders doet, vinden de PVV’ers fantastisch. Bij een grapje breekt een orgastisch plezier uit: ze klappen dubbel, slaan op tafel; Agema staat op zwaait haar opgestoken armen feestelijk heen en weer. Bij kritiek op Wilders schreeuwen zij met rode hoofden dat de ander de boel schandelijk zit op te hitsen.
Als iemand een grapje ten koste van Wilders maakt, kan hij daar altijd smakelijk om lachen. Hij gunt de ander zijn punt, en dat ziet er beter uit dan de grote ogen in de gekwelde gezichtjes van de oppositie.
Wilders staat altijd aan, is altijd opgepompt. Na een slokje water trekt hij een gezicht alsof hij brandenwijn door zijn keelgat voelt stromen. Er volgt een langgerekte aah-klank’; de eerste verfrissing na een lange dag woestijn. Misschien is alles niet zo mysterieus, maar beschikt hij over veel meer hormonen, energie en wilskracht dan de rest.
woensdag 27 oktober
Wilders speelt het zuiver
Ergens halverwege zijn bijdrage aan het debat over de regeringsverklaring moest Job Cohen hebben gezegd: ‘De heer Wilders wil helemaal niet dat moslims integreren.’ Ik had die opmerking even gemist; ik moet even diep in mezelf zijn weggevallen.
De heer Wilders was het niet met deze uitspraak eens. Hij stond op, en liep met een wijde boog naar een interruptiemicrofoon. Rechtdoor was veel sneller geweest, dat scheelde zeker een stap of tien, maar snel is niet altijd goed in de Tweede Kamer; men moet de tegenstander tijd geven om zich ongerust te kunnen maken.
Wilders droeg een modern kostuum van het merk Hugo Boss. Deze pakken onderscheiden zich door opvallend korte jasjes, en broeken die zo vreselijk nauw sluiten dat een mens zich afvraagt waar de drager met zijn geslachtsdelen naartoe moet. Nu: tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte Hugo Boss voor het halve Duitse leger mooie uniformen, dus op dit probleem zal de fabrikant ook wel een oplossing hebben bedacht.
‘Ik hoor veel onzin,’ zei Wilders. ‘Dus sta ik toch maar even op. U zegt: “De PVV wil niet dat moslims integreren.” Waar staat dat?’
Ik dacht even dat Cohen zou zeggen: ‘Ja, dat weet ik eigenlijk niet.’ Maar hij zei: ‘U hebt wel eens gezegd dat miljoenen moslims Europa uitmoeten. Daar baseer ik dit op. Anders had u wel gezegd: duizenden.’
Dit vond Wilders zeer irritant. Hij wond zich op, en moest het al behoorlijk warm hebben gekregen in zijn nauwe broek toen hij zei: ‘Nee, dat heb ik gezegd voor als moslims niet wíllen integreren. Dus zegt u nu maar eens waar staat dat wij niet willen dat mensen integreren. Speel het wel zuiver!’
De heren werden het niet eens. Cohen bleef bij zijn antwoord, Wilders bij zijn verontwaardiging. Hij zei iets als: ‘De PvdA wil pas dat moslims niet willen integreren!’ Daarna liep hij met een boogje naar zijn plek terug, nam opnieuw plaats op zijn zetel, en zakte daarop, net als wij, in een wolk van griep en verveling terug.
dinsdag 26 oktober
Oppositionele gevoelens
Het was een vroege ochtend van de laatste dag voor de debatten over de regeringsverklaring, prachtig mooi weer, en er was veel in mij dat zeker wist dat het een glorieuze dag zou worden, toen plotseling een tandenstoker tussen de twee achterste kiezen in de rechterbovenkaak afbrak, en alles er ineens heel anders uit ging zien.
Zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant stak een piepklein stukje tandenstoker uit; ik kon het hout niet te pakken krijgen. Ook niet met een pincet.
In de spiegel zag ik mijn hoofd roder worden. Het was zaak, maar niet eenvoudig, om nu niet in paniek te raken.
Ik nam een nieuwe tandenstoker, en probeerde daarmee het stukje tussen de kiezen weg te duwen. Ik duwde aan de ene kant, ik duwde aan de andere kant. Dit was misschien van alles, maar niet erg verstandig – er kwam geen beweging in, het stukje tandenstoker duwde ik alleen maar vaster op zijn plek.
De tijd verstreek. Ik werd ongeduldig, nam de nagelvijl ter hand, en probeerde daarmee het stukje hout van binnenuit naar buiten te duwen. Nodeloos vermoedelijk te vermelden dat de vijl uitschoot, glazuur meenam, en een lap tandvlees, en ik even later in de vierkante wasbak een laagje bloed kon laten lopen.
Ik belde de tandarts. De assistente vroeg: ‘Heeft u pijn?’ Nee, zei ik, fysiek niet. Geestelijk wel, mentaal, een beetje dan, maar dat durfde ik er niet bij te zeggen. In dat geval kon zij er helaas geen spoedgeval van maken. Helemaal aan het einde van de middag, ja, dan was vermoedelijk wel een minuutje vrij.
Ik legde neer en keek mezelf via de spiegel eens onderzoekend aan. Zo zag een zakkenwasser er dus uit. Met van die bolle, wanhopige ogen, alsof de spiegel er iets aan kon doen dat ik mijn tandvlees had gesloopt, de dag naar zijn grootje had geholpen. Ik keek alsof ik nog iets van mezelf te verwachten had, en begon geleidelijk te begrijpen hoe de oppositie zich moest voelen.
maandag 25 oktober
Aardappels van een CDA-boer
Om de machten gescheiden te houden, hielden politici hun mond, zolang iets ‘onder de rechter’ was. Met de uitspraak – ‘Als ik ongelijk krijg, geloven miljoenen mensen niet langer in de onafhankelijkheid van de rechtspraak’ – brak Wilders met die traditie.
Normaal strijden OM en advocatuur met elkaar in de rechtszaal, waarna een rechter uitspraak doet. Met zijn gezeur over ‘D66-rechters’, leek het alsof niet Wilders, maar de rechtspraak terecht stond.
Wilders is macht, die zelf de macht en zijn instituties in twijfel trekt. Dat is misschien wennen voor de journalistiek, maar zij kan gewoon doorgaan met het wantrouwen van de macht, en nu bijvoorbeeld vertellen dat het Nederlandse rechtssysteem tot de beste ter wereld behoort – als een raadsheer met een getuige praat, wordt een zaak opnieuw gedaan.
Met Lidwien Gevers zagen we zaterdagavond in het Journaal de duizendste verslaggeefster die niets uitlegt, maar zegt: ‘De mensen begrijpen het niet. De mensen vertrouwen het niet.’ Nieuwsuur trok daarna de onafhankelijkheid van de rechtspraak in twijfel met een onderzoek waaruit bleek dat rechters vaker dan gemiddeld D66 stemmen. Wilders had dus gelijk, wilde men zeggen.
Wat is mis met rechters die D66 stemmen? Verplegers stemmen PvdA, ondernemers VVD – mijn vrouw heeft mij nog nooit naar de markt teruggestuurd omdat zij in mijn mandje een aardappel van een CDA-boer vond.
Dit is niet zo mooi van de journalistiek, want zo helpt zij de weg vrijmaken voor juryrechtspraak, gekozen rechters, boerenlullen in toga.
We hadden het kunnen weten: de journalistiek ligt op zijn rug. Men doet weinig anders dan met zijn allen gedachteloos achter één man aanrennen, smekend om aandacht, quootjes en vernedering. Clairy Polak, Rutger van Santen – uit angst voor Wilders is de journalistiek alvast begonnen zichzelf te zuiveren. Het wachten is op de volgende die van de koets wordt gesmeten.
Als Nieuwsmonitor een verband legt tussen de ruggelingse hypnose van de pers en de macht van Wilders, schrijft de Volkskrant: ‘Niet waar, het is logisch dat we Wilders aandacht geven’. Laatst opende het Journaal: ‘De heer Wilders is het niet eens met president Obama.’
vrijdag 15 oktober
Dit vind ik dus niet eerlijk
Toen ik gisteren naar de bordesscène keek, en tussen de ministers op de trappen geen enkele PvdA’er zag staan, werd ik gekgenoeg even teruggeworpen in de fase van mijn leven dat ik zoveel signalen kreeg dat ik er niet meer omheen kon, en langzaam maar onmiskenbaar tot me begon door te dringen dat ik bijzonder was.
Zo werd ik op een middag als een Job Cohen onthaald bij de meest deftige uitgeverij van het land. Men gaf mij champagne, schouderklopjes en een lucratief contract. Er stond een schitterende toekomst op mij te wachten. De uitgeverij wist het, ik wist het, nu nog een roman schrijven, en ook de wereld zou het weten.
Ik koos voor een experimentele, verwarrende vorm, omdat die de gemoedstoestand van de hedendaagse mens het beste kon verbeelden. Niet iedereen vond mijn plannen even briljant, er is ook wel met mij gepraat, maar een kunstenaar kon zich nu eenmaal niet permitteren naar anderen te luisteren.
Ik schreef een winter, een voorjaar en een zomer. In de herfst legde ik de hoofdstukken in stapels op de planken in de voorkamer. Het werk had alleen nog een finishing touch nodig, dan was het volbracht. Door de ramen van de voorkamer hebben voetgangers die middag kunnen zien hoe een action-writer, in trance, en zwetend van inspiratie, 38 hoofdstukken door elkaar gehusseld heeft.
Over het gesprek met de redactrice van de uitgeverij kan ik zeggen dat er enige tijd twee verbijsterde zielen tegenover elkaar hebben gezeten. Terwijl zij bladzijden omsloeg, waarop bijna alle alinea’s waren doorgehaald, begon ik meer en meer op Job Cohen in Nova te lijken. Toen ik zag dat zij in de kantlijn het woord ‘wannabe’ had geschreven, ben ik met mijn kunstwerk naar buiten gelopen, de stad in.
Als ik die middag was gebeld door de verslaggever van NRC Handelsblad die vorige week nagenoeg alle PvdA-fractieleden interviewde, en hij mij dezelfde vraag had voorgelegd die hij stelde aan de anonieme PvdA’ers, had hij ook precies hetzelfde antwoord kunnen krijgen: ‘Het gevoel overheerst dat we geen eerlijke kansen hebben gehad.’
donderdag 14 oktober
Afscheidsgevoelens
Op het plein voor het ministerie van Algemene Zaken namen gistermiddag tientallen CDA-jongeren afscheid van ‘hun premier’. Er waren bloemen en ballonnen, er was een bord met de tekst: ‘JPB bedankt!, en er waren drie mannen met kunststof hoofden op hun hoofden, naar het beeld van JPB gemaakt.
Zoals gebruikelijk bij huldeblijken, nam ook Balkenende de toespraakjes en bloemen enigszins ongemakkelijk in ontvangst. Toen een student herinneringen aan Balkenendes’ normen en waarden-verhaal begon op te roepen, leken zijn gedachten af te dwalen, maar goed: al was dat verhaal dan meestal uit zijn eigen mond gekomen, hij had er wel mooi van iedereen het vaakst naar moeten luisteren.
Balkenende sprak een woordje over hoogte- en dieptepunten toen ik mezelf er plotseling op betrapte dat ik het gebeuren met een beetje zemelige grijns stond te bekijken. Warme gevoelens, ergens diep van binnen; ik nam ze met een schokje waar. Wat deden die warme gevoelens daar? Deugden zij wel, waren zij wel terecht?
Psychologen leren dat wij onze gevoelens serieus moeten nemen, anders krijgen we die later terug, maar dan verwrongen, bijvoorbeeld als fobie. Dit kon betekenen dat we, eenmaal goed met ergeren begonnen, ervoor moesten zorgen dat we ook goed bleven doorergeren, anders deden we onszelf tekort.
Van de andere kant was er met het vertrek van Balkenende geen reden meer voor ergernis, en konden we net zo goed toegeven aan een algemene neiging. Eerst iemand hartgrondig uit zijn functie wensen en, zodra dit is gebeurd, de ergernis meteen weer voelen luwen, de persoon in kwestie met heel andere ogen gaan bekijken, zelfs enige sympathie voelen opkomen, en mompelen: ach, was hij nu werkelijk zo erg?
Balkenende kreeg een groot applaus, stond de pers te woord, en liep toen terug in het restant van zijn laatste werkdag. Hij had hard gewerkt, weinig geslapen, en misschien nog wel minder kunnen reflecteren. Misschien werd het tijd onszelf met rust te laten, ons op andere ergerniswekkende zaken te richten. Wij hadden voldoende gevoelens gekend. Nu was de tijd aan Balkenende.
woensdag 13 oktober
Je mist toch iets
Tijdens de jaarlijkse borrel van mijn uitgeverij bevond ik me laatst een hele avond in het hart van de literaire wereld, maar stond niettemin met drie ontzettend leuke mensen te praten, toen van een afstandje de beroemde Zomergasten-presentator naderbij kwam, en zich, als verwacht, als Jelle Brandt Corstius aan ons voorstelde.
Hij vroeg: ‘Schrijf jij ook?’ Nadat ik bevestigend had geantwoord, werd het zaak iets aardigs over Zomergasten te zeggen, maar het probleem was: ik had van die serie lange tv-interviews dit seizoen maar één kwartiertje kunnen zien, en precies dat kwartier was niet zo goed bevallen.
Paulien Cornelisse was toen te gast geweest. Jelle en Paulien kenden elkaar goed, want Paulien was beste vriendinnen met Aaf, die weer de zus van Jelle was. Jelle kon er ook niets aan doen, maar toen Paulien vertelde dat ze er was achtergekomen dat het in Amerika ongebruikelijk is ‘echt antwoord’ te geven op de vraag ‘How are you?’, hadden wij thuis eendrachtig de televisie uitgezet.
Even later kwam ik in een nieuw groepje terecht, waarin een gesprek gaande was over het oeuvre van de schrijver Jean-Philippe Toussaint. Sommigen hadden Jean-Philippe in het Frans gelezen, anderen in vertaling. Een man zei: ‘Als je Toussaint in het Nederlands leest, mis je toch wel iets.’
Zo werd het alweer tijdig tijd om terug naar huis te gaan. In de trein dacht ik aan de grote bedragen die er op de kunsten zal worden bezuinigd. Ik geloofde dat iedereen het er over eens was: voor de schatkist leverden ze niet veel op, maar ze gaven wel veel mensen een ontzettend goed gevoel.
We moesten dan ook maar hopen dat veel mensen zullen genieten als de literaire vrienden op de volgende borrel tegen elkaar zeggen: ‘Als je geen subsidie meer krijgt, mis je toch wel iets.’ Zelf kon ik mij daar niet op verheugen. Veel werk van Toussaint zal niet meer worden vertaald, en ik mis juist altijd zoveel als ik hem in het Frans probeer te lezen.
dinsdag 12 oktober
Dit soort situaties
Nadat de eerbiedwaardige striptekenaar Jan Kruis in de talkshow van TV Drenthe honderduit had verteld over zijn prachtige verbeelding van de Multatuli-klassieker Woutertje Pieterse, kwam het bruggetje – ‘Peter, lees jij ook stripboeken?’ – en kon ik vertellen dat ik zo’n groot bewonderaar was van de heer Kruis dat ik nu nog afleveringen van Jan, Jans en de kinderen uit het hoofd kende.
Het presentatieduo liet merken dat zij er wel eentje wilden horen, en dus vertelde ik over de aflevering waarin Catootje aan haar blindedarm is geopereerd, en met Jeroentje in de bosjes staat. ‘Slaapkamer,’ zei de heer Kruis. Hij boog voorover en stak een vriendelijke vinger naar het publiek op. ‘Ze stonden in de slaapkamer.’
‘Juist ja,’ zei ik. ‘Dat is correct. Ze stonden in de slaapkamer en Catootje vraagt aan Jeroentje: “Wil jij zien waar ik ben geopereerd?”’ ‘Ze waren niet alleen hè,’ zei Kruis. ‘Iedereen was erbij. Catootje had de hele straat uitgenodigd.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is ook zo.’ In talkshows is het zaak je de kaas niet van het brood te laten eten, en tegelijkertijd vriendelijk te blijven. Enkele voorbeelden uit het recente verleden hebben zichtbaar gemaakt dat ik die twee lastig te combineren vind. Ik haalde adem, te zwaar misschien, achteraf, en zei: ‘Jeroentje denkt natuurlijk dat Catootje haar truitje zal uittrekken, en…’ ‘Ze moesten allemaal een kwartje betalen,’ zei Jan Kruis.
‘Anyway,’ riep ik, plotseling veel te hard. ‘De grap was uiteindelijk dat Catootje het gordijn opzij schuift en zegt: “Kijk, daar, in dat ziekenhuis.’
In de studio van TV Drenthe werd het opeens erg stil. Je kon de mensen in het publiek horen denken: Wie is die meneer naast onze Jan Kruis? Waarom doet hij zo ingewikkeld? En waarom praat hij toch zo hard?
Na afloop werd de heer Kruis terecht met complimenten overladen. Hij had de uitzending gedragen. Vrouwen betoonden hun respect, kinderen kwamen handtekeningen vragen. Opgewekt stootte mijn jeugdheld mij nog een keer aan: ‘Ik voel me altijd erg op mijn gemak in dit soort situaties.’
maandag 11 oktober
Ongebeld
Nu in allerlei huishoudens de vlag uitgaat – onze Uri, Henk of Gerd wordt minister! – is het goed om ook even stil te staan bij mensen die niet door Rutte zijn gebeld, maar de afgelopen weken wel in alle lijstjes opdoken, en keivaak zijn genoemd.
Vrijdagochtend ligt Frits Huffnagel languit op de bank. De voormalige wethouder van Amsterdam en Den Haag, specialist in citymarketing, levensgroot liefhebber van karaoke, songfestival en musical, is uitgegleden op een stenen trap en moet enkele dagen rust houden.
Gekneusde ribben zijn pijnlijk, maar nu hij even niet meezingt, meedanst, meezwijmelt of vergadert, kan hij wel de hele dag zijn telefoon in de gaten houden. De geschiedenis leert hoe belangrijk in deze formatiefase bereikbaarheid kan zijn.
‘s Middags heeft het Journaal al flink wat nieuwe ministers getoond. Rutte kiest mensen aan wie hij wat te danken heeft, zo lezen we overal, en dus geeft Frits de moed niet op. In 2006 hielp hij Rutte de VVD-lijsttrekkersverkiezing winnen van Verdonk, en dat kan Mark in 2010 onmogelijk vergeten zijn.
‘s Avonds gaat de telefoon voordurend, maar het zijn alleen vrienden die vragen of hij supergezellig meegaat naar Petticoat, Mamma Mia! of het nichtencircus. Topvariété, maar ja, die ribben. Huffnagel moet ongebeld naar bed, en kan de volgende ochtend ongebeld weer op.
Van de zaterdagkranten lust hij er nog wel een paar: journalisten die een week eerder niet konden ophouden Huffnagel te tippen als staatssecretaris, noteren nu met verwaande wereldwijsheid dat ‘je in Den Haag ook te vaak kunt worden getipt’.
Een ander zou in een vrije humeurval raken en enkele dagen wegzinken in boze lethargie, maar Huffnagel beschikt over een bewonderenswaardige mentale flexibiliteit en meldt op Twitter dat het tijd wordt weer eens naar buiten te gaan.
Terwijl Huffnagel nu zijn zere ribben mee uit wandelen neemt, en met voorzichtige stapjes de straat uitschuifelt, blijven wij onbevredigd achter. Met zijn voorliefdes, enthousiasme en kennis van de materie was hij als geen ander in staat geweest de nieuwe kunstpolitiek van de rechtse regering gestalte te geven.
vrijdag 8 oktober
De slaapkamer van Bram en Eva
Rond middernacht voer ik u mee naar de rustieke slaapkamer van nieuwslezeres Eva Jinek en advocaat Bram Moszkowicz – ik wil daar niet alleen naartoe.
Zij ligt met opgetrokken knieën onder satijnen lakens, een boek op schoot. Tussen brilmontuur en wenkbrauwen door ziet zij hoe haar geliefde op zijn rechterbeen door de kamer hinkelt, terwijl hij met twee handen zijn linkervoet uit een instapper bevrijd.
Even tevoren zag zij hem schitteren in Nieuwsuur. Dat programma mocht zij niet presenteren omdat zij hem dan vaak had moeten interviewen. Tijdens de uitzending gaf dit aanleiding tot tandenknarsen, maar nu is dat voorbij. Zij mag dan aantrekkelijk zijn, hij is ook erg leuk, en voor de liefhebber van de soort nog beslist een smakelijk hapje.
‘Die rechters weten nu al niet meer waar zij het moeten zoeken,’ zegt hij, ‘dit Wilders-proces is afgelopen voor het begonnen is.’ En zij: ‘Ik vind Els Lucas en René Danen, de mensen die de aangiften tegen Wilders hebben gedaan, een stel pathetische eikels.’ En hoewel we eigenlijk respect moeten hebben voor al wat leeft en ademt, moeten we toegeven dat zij hier een waar woord gesproken heeft.
Ze legt haar boek op het nachtkastje, en we zien helaas dat het niet Doodsbloei van Pieter Boskma is, een rouwdagboek in verzen, juist verschenen, pijnlijk privaat en zonder afstand soms, maar ook vaak lyrisch, omdat de dichter zich schrijvend realiseert dat ‘een eenmaal echt begonnen liefde/ pas in de dood haar hoogste bloei beleeft’.
Als zij nu Bram, de kniekousen nog aan, in een witte boxer met korte pijpjes, die een beetje flapperen onder de zonnebankbruine buik, met gebogen knieën en uitgestoken armen voor het bed ziet staan, klaar om – head first, fearless – tussen de lakens te schuiven, zijn wij van het werk van Boskma al bijna voorbij dat van Godfried Bomans belandt, en bevriezen we het beeld.
Ik zet nog snel een raampje open voor de ventilatie, dan leid ik u de kamer uit. Er zijn er die graag willen blijven kijken, maar we hebben echt genoeg gezien.
donderdag 7 oktober
Orde op Zaken
Nu het verzet in de CDA-fractie tegen de nieuwe regering voorlopig in betekenisvrije taalconstructies is gesmoord, kan Rutte gaan regeren, en wordt het tijd de blik op het regeerakkoord te richten, dat helemaal niet meevalt, maar wel erg tegen.
De VVD is de grote banenkampioen. Met de VVD in de regering zouden vierhonderdduizend banen worden gecreëerd. Rutte sloeg aan het onderhandelen, en nu komen er honderdtienduizend werklozen bij. Dat is de bevolking van Emmen en Erica opgeteld, baby’s en stervenden meegerekend.
De VVD ging orde op zaken stellen. Er zou bijna veertig miljard worden bezuinigd, later 18, weer later 15, waarvan de helft volgens economen op wensdenken is gebaseerd. Het beloofde begrotingsevenwicht in 2015 wordt niet gehaald.
De VVD is de grote propagandeur van de kleine overheid. Zij ging het geld aan de mensen teruggeven, want die hadden een eigen verantwoordelijkheid, en waren dus heel goed zelf in staat te beslissen waaraan zij hun geld willen besteden. Rutte ging onderhandelen, en nu worden de belastingen niet verlaagd, maar verhoogd; sommige economen zeggen met twee miljard, andere zeggen zes.
En dan hebben we nog een gedoogakkoord dat ervoor moet zorgen dat jaarlijks niet langer veertienduizend niet-westerse allochtonen het land binnenkomen, maar twaalfduizend, of dertien. Dat verschil zal geen boze burger opmerken. Als inburgeringscursus en dagbesteding verdwijnt, zullen we van het gedoogakkoord hooguit iets merken als er animal cops uit het weiland worden geroepen om te helpen lastige moslimjongeren neer te knuppelen.
Ik bedoel hier niets Anil Ramdas-achtigs mee, maar PVV-kiezers zijn over het algemeen niet de allerrijksten. Ik heb dan ook zomaar het idee dat zij vooraan zullen staan als er hogere huren worden afgerekend, hogere ziektekosten en premies, en allerlei toeslagen worden afgenomen.
Er zijn sentimentele akkoorden afgesloten: ze lijken alleen bedoeld om de gevoelens van anderhalf miljoen PVV-kiezers te bevredigen. Te hopen valt dat zij daarvan langer zullen genieten dan van een sigaretje in het café, en niet meteen allemaal nieuwe gevoelens gaan ontwikkelen, die schreeuwen om bevrediging.
woensdag 6 oktober
Hilversum! Verhagen!
Toen het Journaal ’s ochtends live in beeld bracht hoe een koffiedame een karretje met kopjes en schotels de CDA-fractiekamer binnenreed, wisten we onmiddellijk wat ons te doen stond: zo snel mogelijk de schoenen aan om daarna zoveel mogelijk uren te vermorsen op de zuurstofarme gangen van het CDA.
De eerste uren was daar nog niet veel te doen. Hier en daar zaten er journalisten in de vensterbank. Een verdieping hoger hield een radioverslaggever de kamerdeur van Ad Koppejan in de gaten. Koppejan verbleef elders, zijn kamer was leeg, maar de radioman was niet van plan zich daardoor te laten ontmoedigen.
Op het Plein hadden enkele tientallen journalisten en fotografen zich strategisch rond een terras opgesteld, waarop drie lachende CDA’ers koffie dronken. In een enigszins verstrooide verschijning aan een paar tafeltjes verderop herkenden we de man die zaterdag het CDA-congres in goede banen had proberen te leiden. Hij bleek niet alleen stemmingen te kunnen verrommelen, maar ook heel goed papieren, menukaarten en stukken krant uit zijn handen te kunnen laten waaien.
Rond lunchtijd verscheen Maxime Verhagen op de gangen van het CDA. Een televisieverslaggever riep enkele keren in zijn microfoon: ‘Hilversum! Verhagen!’ Hilversum reageerde alert genoeg om de huiskamers te kunnen laten zien hoe Verhagens’ belichtte achterhoofd de fractiekamer binnenging.
De vergadering begon, het wachten kon opnieuw een aanvang nemen. Op de televisie zei Ferry Mingelen laatst: ‘In de politiek bestaat een heleboel tussen ja en nee.’ Hij had het mooi gezegd. Zo ging het ook vaak: een hoop opwinding die werd besloten met een onnavolgbare taalconstructie tussen ja en nee.
Er verstreek een uur, en nog een, de zelfhaat begon zich juist in ons vast te bijten, toen vanachter de CDA-deur een klaterend applaus opklonk. Even later kwamen ze naar buiten, de CDA’ers, samen, eendrachtig, schouder aan schouder.
We renden naar huis om deze regels op te schrijven. We hadden het liever andersom gezien, maar moesten misschien niet altijd zo egoïstisch zijn: de dag was naar de knoppen, de nieuwe rechtse regering was voorlopig gered.
dinsdag 5 oktober
Ceci n’est pas een kopstoot
Enkele uren na de gemoedelijke boekpresentatie van Martin Bosma raakte het nieuwe PVV-Kamerlid Marcial Hernandez (36) in het Haagse café Berger in een politieke discussie met Timon, een dertigjarige ambtenaar.
De sfeer bleef goed totdat Hernandez de vriendin van Timon iets toevoegde dat zijn vader in het Algemeen Dagblad liever niet wilde herhalen. Dus dat zal wel iets van ‘vuile kuthoer’ zijn geweest. Laten we eerlijk zijn, en geen zoete broodjes bakken: de terminologie ligt ons in voorkomende gevallen nu eenmaal voor in de mond.
Timo vroeg: ‘Moet dat nou?’ Hernandez gaf hem een kopstoot. De politie kwam, omstanders wezen Hernandez aan als de dader, hij werd ingerekend, opgesloten, en pas de volgende ochtend vrijgelaten.
Het zou gemakkelijk zijn, en hartstikke prematuur, te stellen dat het wel erg voorspelbaar is, tegen het saaie aan, dat het precies de sentimentele PVV’ers zijn, die Nederland Nederlandser willen maken, zodat oude vrouwtjes ‘s avonds weer over straat durven, die kopstoten uitdelen of een barkeeper van Nieuwspoort belagen, zoals Hero Brinkman vorig jaar moet hebben gedaan.
Deze is ook erg gemakzuchtig: nog maar een paar jaar in de Kamer, en nu al zijn de PVV’ers verantwoordelijk voor het grootste deel van de geweldsmisdrijven die Kamerleden in de parlementaire geschiedenis hebben begaan. (Ik vraag me trouwens af: is dit nu een demonische– of een demoniserende objectivering?)
Terwijl: het hoeft helemaal niet waar te zijn allemaal. Misschien is de vriendin van Timon wel echt een kuthoer. Misschien heeft Timon zijn gezicht ook wel heel dichtbij dat van Hernandez gebracht, en heeft ie zo heel irritant en dreinerig ‘Moet dat nou?’ gezegd, waarop Hernandez hem alleen maar een piepklein drukkertje met zijn voorhoofd heeft gegeven, en is Timon met veel misbaar ter aarde gestort.
We weten het niet, dat bedoel ik. We zullen ons oordeel moeten opschorten tot de politie de zaak grondig heeft onderzocht. U mag deze regels dan ook gerust opvatten als een oproep om zorgvuldig en voorzichtig om te gaan met PVV’ers die onze straten veilig willen maken.
Maandag 4 oktober
Maxime en Camiel
Ik dacht eerlijk gezegd dat CDA’ers hun congres zouden gebruiken om zich de hele dag aan elkaars gekwelde gewetens te warmen, en zich in gezamenlijkheid zouden buigen over de vraag of Wilders wel voldoende deugde om mee te kunnen samenwerken.
Ze zeiden misschien in elke zin het woord ‘samen’, maar verder bleken die CDA’ers doodgoeie druppelaars, netjes gekleed, en toch sportief; niets mee aan de hand. Het innerlijke conflict bleek ook zakelijker dan gedacht. In de woorden van een oude CHU’er: ‘Inkapselen en afvoeren die Wilders.’
Maar toen liep Camiel Eurlings naar een microfoon, en begon daar een partijtje sentimenteel te schreeuwen en salueren dat je even vreesde dat er een adertje in zijn hoofd was geknapt. Maxime was gewoon een christendemocraat pur sang, riep hij van de toppen van zijn longen, een mens van vlees en bloed en hart en nieren.
Het wachten is op het moment dat iemand zo goed is onder de beelden van een schreeuwende Eurlings een beetje leuke nazi-toespraak te monteren, en het geheel ter lering en vermaak op YouTube zet.
We keken ineens heel anders naar Verhagen, die ook niet vies is van sentiment, maar het tenminste nog bij een snik had gelaten toen hij zijn vadertje ter sprake bracht. Ineens herinnerden we ons ook hoe hij met kleine, verlegen stapjes naar het podium was geschuifeld, en met gesloten handen voor zijn buik het applaus in ontvangst had genomen. ‘Tjonge,’ zei hij. ‘Poe hee.’
Verhagen heeft het niet gemakkelijk gehad. Geen nacht normaal geslapen, geen krant opengeslagen zonder de woorden ‘rat’ en ‘jezuïet’ te moeten lezen, elke dag een oudgediende met kritiek. En Maxime maar met zijn zere rug uit auto’s stappen en blijmoedig de pers te woord staan. Hij mocht niets terugzeggen, want dat was kinderachtig.
Als je Fortuyn erg vindt, krijg je Wilders. Als je Balkenende erg vindt, krijg je Verhagen. Beter wordt het nooit, alleen beroerder. Dus misschien moesten we Verhagen maar een beetje leren waarderen; achter hem staat een specifiek mannetje op zijn beurt te wachten.
dinsdag 28 september
Het hoedje van Janmaat
Tijdens zijn Kamerlidmaatschap was ik te jong om Hans Janmaat op waarde te kunnen schatten, maar ik heb wel altijd netjes geleerd dat de leider van de Centrumpartij een racistische fascist was, die met alle middelen bestreden moest worden.
Zaterdag leidde een link op Twitter naar een radio-interview met Janmaat uit 1983, gehouden door Van Weezel, Van Hoorn en Van den Boogaard. Daaruit bleek dat niet Janmaat, maar de journalisten hun verstand verloren waren. Een uur gingen zij tegen hem tekeer. In elke vraag de woorden fascist, racist, extreemrechts.
Janmaat bleef rustig: De grote partijen hadden buitenlanders voorgehouden dat het hier gunstig voor ze was. Zij konden hun leefpatroon hier niet ontwikkelen, raakten uit het evenwicht, en wilden of konden zich niet meer aanpassen. Intussen lieten de grote partijen veel meer buitenlanders komen. In de toekomst zaten we misschien wel met een miljoen moslims, met alle mogelijke spanningen van dien.
Zaterdagavond liep ik per toeval een van de interviewers tegen het lijf. Hij had de link ook gezien, en was er niet gemakkelijk mee. De tijdgeest liet je rare dingen doen. Hij herinnerde eraan dat het destijds juist heel incorrect was Janmaat aan het woord te laten. Tijdens het interview werd gedemonstreerd tegen de omroep die hem zendtijd durfde te geven.
Zou de wereld er anders hebben uitgezien als de journalistiek in 1983 minder hysterisch was geweest? Het vervelende van het heden is dat je wel zeker weet dat iets aan je opvattingen en gedragingen totaal belachelijk is, maar dat je moet wachten tot de foto’s zijn vergeeld voor je scherp kunt zien: ja, dat hoedje had ik niet moeten dragen.
Het huidige CDA-kamerlid Mirjam Sterk wil Roma het land uitzetten. Zondagmiddag zag ik haar in een weiland langs de snelweg tegen een caravan duwen, in de kennelijke hoop dat er een paar zigeuners zouden uitrollen. Ik ben doorgereden. Later zullen mijn kinderen mij verwijten: ‘Waarom heb jij niet geduwd?’
Maar of ze zullen vinden dat ik die caravan omver had moeten duwen, of Mirjam Sterk – daarover meer over twintig jaar.
maandag 27 september
Het vrouwenprobleem
In de Kamer zei Paul Ulenbelt (SP) tegen minister Donner: ‘U kort op pensioenen omdat anders over veertig jaar heel misschien een probleem ontstaat. U praat economen na die de crisis een jaar tevoren nog niet konden voorspellen. U zegt nu tegen de mensen dat hun pensioenen veilig zijn, anders bent u gewoon een ordinaire tasjesdief.’
Het was een onbekommerd links verhaal. Veel linkse mensen schamen zich voor zichzelf. Links heeft de tijdgeest niet mee, zit lelijk in het verdomhoekje, maar bij de SP hebben ze daar geen last van. Zij komen uit het verdomhoekje voort, hebben altijd al vanuit de verdomhoek geopereerd.
Donner reageerde geserreerd – ‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden’ – maar daaronder lag woede en ergernis. Je hebt er wat voor over Donner eens zonder de dikke lagen decorum te zien waarin hij zichzelf heeft ingesnoerd. Er bestaan aandoeningen die je in een klap van je remmingen afhelpen, maar misschien moeten we daar niet op gaan zitten wachten. Zo graag zien we hem nu ook weer niet schreeuwen in het parlement.
Nu hadden we dus twee tegengestelde opvattingen over de pensioenproblematiek gehoord, een journalist kon ermee uit de voeten, maar een mens wist nog steeds niet wat hij moest doen: zorgeloos verder leven of het spaargeld vliegensvlug omzetten in aandelen clustermunitie.
In het Journaal zei later die dag een nieuwslezeres: ‘Niet alleen pensioengerechtigden, maar iedereen moet zich ernstig zorgen maken.’ Er volgde een meelevende reportage vanuit een gemiddeld bejaardencentrum – de hand van het Journaal kan slaan en over bezorgde bolletjes aaien.
Een bejaarde dame werd van nabij in beeld genomen. Ze stak een waarschuwende wijsvinger op, en zei: ‘Die korting is niet eerlijk. Het is mijn pensioen. Daar heeft mijn man zijn hele leven keihard voor gewerkt.’
Hij wel ja, dachten we. Zijn hele leven hard gewerkt, een bijdrage geleverd aan de maatschappij, en tijdig gestorven, zoals het hoort, terwijl die vrouw maar bleef leven en premies binnenhalen. De vervuiler had zichzelf ontmaskerd, het pensioenprobleem was een bejaarde vrouwenprobleem. Het werd tijd om keihard af te rekenen.
donderdag 23 september
De slaapkamer van Theo van Gogh
Het nieuws dat de cartoonist Nekschot niet langer wordt vervolgd voor het beledigen van moslims, voerde me terug naar de tijd dat een uitingsdelict nog een uitingsdelictje was, en ik mijn eerste column zo begon: ‘Anne Frank is niet dood, maar leeft seksueel getransformeerd onder de naam Frank van Annen in een van Buenos Aires duurste villawijken.’
Ik probeerde in de smaak te vallen van mijn nieuwe vrienden, die allemaal vonden dat Israel het Joodse lijden misbruikte om Palestijnen te kunnen onderdrukken. Verder dacht ik er een stoere, onverschrokken indruk mee zou wekken.
Het duurde niet lang of de ANP meldde dat een Joodse student een klacht had ingediend en op ons redactiekantoor de telefoons begonnen te rinkelen. Ik kon niet opnemen, want ik was bij Theo van Gogh op bezoek voor een interview over zijn verfilming van Vals Licht, de roman van Joost Zwagerman.
De avond tevoren was de première een beetje uit de hand gelopen, en Van Gogh gaf er de voorkeur aan het interview in zijn zure slaapkamer te houden. Hij bleef op bed liggen. Ik zat in stille bewondering op de grond tegen een muur, naast een lichtblauwe onderbroek. Als de telefoon ging, zei hij: ‘Een opdrachtgever. Zeg maar dat ik een zere enkel heb.’
Op het redactiekantoor beantwoordde onze hoofdredacteur intussen vragen van journalisten: ‘Ja hoor es, wij kunnen natuurlijk niet met elke Jood rekening houden.’ Omdat zijn naam sprekend op de mijne leek, waren er de volgende dag weinig kranten waarin deze uitspraak niet aan mij werd toegeschreven.
Toen het zaakje enkele maanden later werd geseponeerd omdat ik ‘door de publiciteit al genoeg was gestraft’, hebben wij op het redactiekantoor, dronken van zorg om het vrije woord, tegen elkaar geroepen dat wij het hier niet bij zouden laten zitten.
Drukte om niets. Mijn huis was niet door agenten bestormd, ze hadden me niet in de cel gestopt, ik had niet jarenlang hoeven vrezen dat mijn identiteit bekend zou worden en de moslim mij zou komen halen, zoals Nekschot is aangedaan. Ik moest volwassen worden. Daarna kon ik ongebroken verder.
woensdag 22 september
Geprangd
Vrijdagavond vertelde Frits Wester op de televisie dat hij Balkenende op het Plein was tegengekomen, even met hem had gepraat, en toen bij de demissionaire premier gevoelens van woede, verdriet en teleurstelling had waargenomen. ‘Balkenende,’ zei Wester, ‘zit er geprangd in.’
Ja, Balkenende. Het beeld van Nederland zonder hemzelf als premier drukt, benauwt, prangt hem. ‘Ik moest zonodig weg,’ heeft hij gezegd, ‘en moet je nu eens kijken wat voor een puinhoop het is geworden.’ Het is mooie, Balkenendiaanse logica. Zelf heeft hij nergens iets mee te maken. Door zichzelf buiten de redering te houden, denkt hij zich onmisbaar.
De Koningin zat er ook geprangd in, gisteren. Het was te voorspellen: de mensen blijven haar familie achtervolgen over bungalows en boerderijen; eentje gooide een waxinelichthouder naar de Gouden Koets. Haar vermoedelijk laatste Troonrede was niet eens een serieuze. Ondanks allerlei interventies is zij er niet in geslaagd de vorming van Prang I te voorkomen.
Dus daar zaten ze tegenover elkaar in de Ridderzaal. Beatrix en Balkenende. Twee geprangde zielen. Met enigszins pips gezicht en zuinige mond sloeg hij traagweg de benen over elkaar. Haperend en ook een beetje gekweld legde zij de nadruk op de verloren samenhang in de samenleving. Van de weeromstuit nam de NOS Geert Wilders even van nabij in beeld, zodat we zeker wisten waar de grote prangman zat.
Een hoop zwaarte, terwijl de echte benauwenissen nog komen. Dit was nog maar 3,2 miljard. De komende regering wil 18 miljard bezuinigen, een ‘maatschappijveranderend’ bedrag volgens Maarten Schinkel, die ons daarbij in NRC Next iets probeerde voor te laten stellen. 18 Miljard is de begroting van Tanzania. Je kunt er genoeg pakjes sigaretten van kopen om een stapel naar de maan te maken; voor alle inwoners van Utrecht en Vught nieuwe fietsen kopen; de wereldbevolking trakteren op een latte grande in Starbucks.
Volgend jaar zitten Willem-Alexander en Mark vermoedelijk tegenover elkaar. Nog een jaar later: Willem-Alexander en Geert. Voor sommigen een benauwend beeld, al is een geprangd gemoed tegen die tijd vast allang een geplogenheid.
Being Ad Koppejan
Proberen wij ons vandaag eens voor te stellen hoe het is om Ad Koppejan te zijn, een van de twee CDA’ers die overwegen tegen samenwerking met de PVV te stemmen, en daarmee voor velen het vingerlikken dreigen te bederven.
Koppejan is een man die van een afstandje erg lang lijkt, maar van dichtbij opeens over een normaal postuur blijkt te beschikken. Hij is een standvastige Zeeuw van christelijk-sociale huize. Als hij in 2006 tot het CDA-Kamerlidmaatschap wordt geroepen, krijgt zijn leven zin – Kamerleden krijgen kansen iets voor anderen te doen.
Hij komt in een CDA dat zich juist heeft gerealiseerd dat ze eigenlijk voor geen fluit verschillen van de VVD. Dus daar zit Ad dan, met zijn solidariteit en rentmeesterschap, zijn ‘behoefte aan christelijk-sociale politiek die bindt’.
Als zijn CDA besluit met de PVV te gaan regeren, raakt Ad in diepe gewetensnood – de vrijheden van godsdienst en onderwijs zijn toch een beetje de benen waarop hij zich in dit leven voortbeweegt.
Zijn geweten knaagt. Iedereen doet onaardig. Sommigen intimideren hem. De werkdagen worden langer. ‘s Avonds op zijn Haagse kamer kijkt hij langdurig voor zich uit, een elleboog op een kale keukentafel. Hij is lang stil als hij voor het slapen zijn vrouw belt. Dan volgt een diepe zucht.
In het weekend is er het gezin en de groep. Hij loopt hard over het strand. De kerkdienst is een warm bad, iedereen worstelt met hem mee. Zijn naam wordt niet genoemd, maar de preek is helemaal toegespitst op zijn gewetenswroeging. Na afloop twittert hij: ‘De preek ging over het maken van juiste keuzes en de bereidheid daarvoor persoonlijke offers te brengen.’
Bemoedigt dit Ad voldoende om zijn geweten te kunnen blijven volgen? Ja en nee. Na het weekend geeft hij een interview. Op de vraag hoe hij de intimidatie van het CDA ervaart, zet hij hoge schouders op, en zegt, met een gezicht alsof daar met hoge snelheid een natte bal naar onderweg is: ‘Zie ik eruit als iemand die zich gemakkelijk onder druk laat zetten?’
donderdag 16 september
Verliezers
Zondagavond werd Wilders The Movie van Joost van der Valk uitgezonden, en in de dagen erna werd die zo ongenadig afgekraakt dat ik het hier een beetje voor de filmmaker op zou willen nemen.
Het was geen goede film. De filmmaker had zich ten doel gesteld zijn onderwerp te volgen, maar Wilders liet zich niet volgen, en toen heeft Van der Valk ervoor gekozen de hele film achter Wilders aan te blijven hobbelen.
Misschien had hij de film kunnen redden door het over de boeg van zelfspot te gooien, maar om bij zelfspot te komen, moeten wij eerst een laagje verontwaardiging wegkrabben, en dat is niet gelukt. In de laatste scene, vlak nadat Wilders hem weer voorbij is gelopen, horen we Van der Valk buiten beeld zeggen: ‘Nou já, zeg!’
De verzachtende omstandigheid luidt dat er nog niemand in geslaagd is in beeld, woord of geschrift een enigszins bevredigende verhouding tot Wilders te vinden. In een debat heeft hij het nog nooit moeilijk gehad, wat vreemd is, want hoe groot ook het redenaarstalent, eens per jaar moet het initiatief je toch ontglippen.
Commentatoren schrijven wat debaters verkeerd doen – zij reageren rationeel op emoties – maar vertellen niet hoe het wel moet.
Over columnisten zullen we het maar niet hebben, en ook boekenschrijvers zijn nog niet tot resultaten gekomen. In arren moede trokken de schrijvers van Veel gekker kan het niet worden Wilders’ horoscoop, in Tovenaarsleerling zoekt Fennema zijn heil bij de verbeelding.
In zijn fantasie zag hij Wilders spannende ‘affairettes’ beleven. Dit doet denken aan een scene die de film niet haalde omdat daarin een anonieme bron onverifieerbaar over Wilders en een heroïnehoer vertelt. Ik weet niet wat deze voorbeelden betekenen; kennelijk bestaat er een breed gedeelde behoefte iets van Wilders’ liefdesleven bloot te leggen.
Wilders The Movie staat dus niet op zichzelf. De film valt in een groep, een machteloze school, een nieuwe Hollandse traditie. Dat moet Van der Valk maar tegen zichzelf zeggen. Als hij behoefte voelt erover te praten, kan hij altijd bij ons, de verliezers, komen staan.
woensdag 15 september
Een onzalig plan
Gisteravond dacht ik ineens dat het een leuk idee was om een stukje te schrijven waarin ik Wilders met Hitler vergeleek en tegelijkertijd natuurlijk helemaal niet. Vermoedelijk zouden mensen boos worden, maar met een redenering slim als zeep zou ik overal tussendoor glippen, en van een afstandje geamuseerd de opwinding gadeslaan.
Twee zaken hebben mij op dit onzalig plan gebracht. Onlangs omschreef ik belangstelling voor maatschappelijke debat als je begeven tussen mensen die heel hard ‘Ja!’ en ‘Nee!’ staan te schreeuwen. Reaguurders waren het niet eens: onder het stukje op het internet hebben zij een middag ‘Ja!’ en ‘Nee!’ geschreeuwd. Dat was leuk; hun irritatie smaakte naar meer.
Verder was ik onder de indruk geraakt van Kanttekeningen bij Hitler. Sebastian Haffner is een geweldige schrijver, zakelijk en precies. Hitler streefde twee doelen na, de strijd tegen de joden en de overheersing van Europa, en volgens Haffner reed het ene doel het andere in de wielen. Met zijn jodenpolitiek joeg Hitler in de jaren dertig de intelligentsia het land uit. Voor de oorlog lag het centrum van kennis over de atoombom in Göttingen, tijdens in Amerika.
Ik dacht: Wilders heeft ook twee doelen, de strijd tegen de islam en de beheersing van de politiek, dus laat ik hem eens in een handig stukje aanraden uit strategische overwegingen een keuze te maken. Zo kreeg ik vermoedelijk mensen op de kast, zonder dat mij iets te verwijten viel.
Toen het af was, zag ik tot mijn schrik dat ik wel vier keer had geschreven: ‘Ik vergelijk Wilders niet met Hitler.’ Kennelijk had ik ongemerkt aangevoeld dat mijn plan niet deugde. Als je zegt dat je Wilders niet met Hitler vergelijkt, doe je het natuurlijk toch, en daar had niemand wat aan; de waarheid het minst.
Ik moest eigenlijk iets nieuws maken, maar helaas ontbrak de tijd. Driftig ijsberend ging ik op zoek naar een slotzin die dit stukje elegant van zijn inhoud zou bevrijden. Ik dacht zo diep mogelijk na, maar deadline naderde, en ik begon het al een beetje warm te krijgen.
dinsdag 14 september
Diplomademocratie
Ik las op het terras een artikel over ‘diplomademocratie’ toen het gezin de straat inkwam. Kinderen links en rechts voorop, moeder langs de gevel, vader door het midden van de straat, met ongeïnteresseerd zwaaiende armen, alsof die een ander toebehoorden.
Een kind zag de parkeerbon het eerst. De moeder draaide zich om, zette de handen in de zij en begon te vloeken. Vader griste het kind de bon uit handen, mepte het de Opel in, en begon driftig om zich heen te kijken, hopend dat de bezorger van de bon zich nog ergens in de straat bevond.
De term ‘diplomademocratie’ duikt ineens overal op. In kranten, tijdschriften – binnenkort verschijnt er een boek uit dat de term op het omslag draagt. Gebruikers zijn ervan overtuigd dat Kamerleden verhoudingsgewijs zo hoog zijn opgeleid dat het volk zich door hen niet gerepresenteerd kan voelen.
Met opwaartse kinbewegingen kwam de man intussen op me afgelopen. ‘Hee,’ zei hij. ‘Wie geeft hier de parkeerboetes?’ Ik stond op. Het was verleidelijk om nu ‘de PvdA’ te antwoorden, of ‘de brandweer’, maar ik vind woede eng, en koos voor het lafhartige: ‘De politie. De parkeerpolitie.’
Op verzoek legde ik uit waar het politiebureau zich bevond. Daarna ging ik weer zitten. Ik zag de man in de Opel stappen, uitparkeren, en even later, aan de overkant van de gracht, op hoge wielen naar het dichtstbijzijnde politiebureau rijden.
Met de term diplomademocratie was iets bijzonders aan de hand. Ik zou eigenlijk pas gerustgesteld zijn als Kamerleden ons verpletterden met betogen die straalden van kennis en intelligentie, en zelf leken de criticasters van de diplomademocratie ook niet erg in hun theorieën te geloven. In de Volkskrant zei een van hen dat er ook weer niet teveel onopgeleide mensen in de Kamer moesten. Een stuk of vier was voldoende.
Misschien kenden ze er zelf genoeg. Maar als de criticasters van de diplomademocratie nog een symbolische dommerik zochten, had ik er een voor hen gevonden. Ze moesten wel snel zijn. Over vijf minuten stond hij luidkeels aan de balie van het politiebureau.
maandag 13 september
De logische Wilders
Vorige week verklaarde Geert Wilders dat hij met ‘plezier’ tegen de bouw van een moskee bij Ground Zero zou demonstreren, hij had namelijk een ‘mooi verhaal’ geschreven, waarvan hij hoopte dat veel mensen zouden ‘genieten’ – dus leek het me de moeite waard te kijken of daarvan iets terechtgekomen is.
Zelf heb ik geen opvatting over de moskee in New York. Belangstelling voor maatschappelijk debat komt steeds vaker neer op roeien over een kanaal terwijl aan beide oevers onwrikbare figuren naar je schreeuwen. Er is geen tijd om gedachten op te maken, het is ‘Ja!’ of ‘Nee!’, nu.
Mocht men mij op straffe van kluitengooierij tot een keuze willen dwingen, neig ik naar de woorden van Michael Moore: ‘Als deze moskee niet kan worden gebouwd, is dit niet langer Amerika’, hoewel buiten vrijheid ook verantwoordelijkheid bestaat, die je ervan zou kunnen weerhouden in 1954 een Schlagerfestival te organiseren in Westerbork.
Wilders citeerde Abraham Lincoln, en dan ben je al een eindje naar schoonheid onderweg: ‘Wie anderen vrijheid ontzegt, verdient het zelf niet.’ Een mooi citaat, waaruit je volgens mij alleen de conclusie kon trekken dat de moskee gebouwd mocht worden. Dat paste niet in zijn betoog, dus voegde hij toe: ‘Wij zijn wel tolerant, maar geen zelfmoordmaatschappij!’
Wilders en tolerantie – lekker zit het niet. In zijn jongste boek betoogt Eric Vrijsen dat Wilders zes jaar geleden concludeerde dat tolerantie leidt tot radicalisering, om dit vervolgens om te keren en ervan overtuigd te raken dat radicalisering alleen met intolerantie kan worden bestreden.
Wilders zei: ‘Wij mogen geen kerken bouwen in Saoedi-Arabië, dus mogen zij hier geen moskee bouwen.’ Ook dit begreep ik niet helemaal – als de kindjes in de Derde Wereld geen zuurkool hadden, moesten wij toch juist deemoedig onze bordjes leegeten?
Zo dreef Wilders steeds verder van de schoonheid weg – de hysterische kromzwaard bedreigt niet alleen zijn gezondheid, maar ook zijn gevoel voor logica. Intussen is hij vast alweer opgesloten in zijn onmenselijke beveiligingsregime, dus we mogen hopen dat hij zelf wel van zijn toespraak genoten heeft.
vrijdag 10 september
Krukken
We weten niet wat Rouvoet aan zijn been mankeerde, maar stellen vast dat hij in de Kamer langzaam en voorzichtig, gebruik makend van een kruk, naar een microfoon liep om Van der Staaij te vragen welke beloftes de rechtse regeringspartijen hem hadden moeten doen om zich van SGP-steun te verzekeren.
Om een antwoord te vinden op de vraag waarom krukken rechtse leiders een aura van kracht en doorzettingsvermogen geven, en linkse leiders eentje van ongeluk en verval, moeten we vermoedelijk bij de tijdgeest zijn.
Van der Staaij ontkende afspraken met de rechtse partijen te hebben gemaakt. VVD, PVV en CDA gingen met zijn drieën regeren en hadden daar de SGP niet bij nodig.
Rouvoet stelde zijn vraag nogmaals, maar Van der Staaij bleef ontkennen. Hij toonde de binnenkant van zijn handen, die opengeklapt naast zijn heupen hingen. Op zijn gezicht verscheen een triomfalistisch lachje – het stond Rouvoet uiteraard vrij te geloven of te wantrouwen wat hij wilde.
Er zijn genoeg mensen die het nieuwe triomfalisme van de rechtse leiders onaangenaam vinden, en hartstikke slecht voor de samenleving, maar winnen is nu eenmaal leuk. Regeren en triomfalisme lijken ook een beetje bij elkaar te horen. Van Balkenende staan me bijvoorbeeld de zelfvoldane lachjes nog helder voor de geest.
Misschien sprak Van der Staaij ook wel de waarheid en waren echte afspraken overbodig. Het vergde niet veel denkwerk om erachter te komen wat je moest doen om de SGP te vriend te houden: helemaal niets op medisch-ethisch terrein. Ja, dat was de taak die Van der Staaij zich voor de komende jaren heeft gesteld: scherp toezien dat de nieuwe regering geen vin verroert op medisch-ethisch terrein.
Of het een schone taak is om een regering op een onderwerp jarenlang tot stilstand te dwingen, is waarschijnlijk een kwestie van smaak. Je hoefde ook niet altijd kieskeurig te zijn. Een taak was beter dan geen taak. Rouvoet kon de komende jaren bijvoorbeeld weinig anders doen dan hopen en bidden. In theorie een eerzame taak, waar de lol in de praktijk snel af gaat.
donderdag 9 september
Dwarsbalkjes
Je zou verwachten dat het vertrek van Klink uit het CDA en de waarschijnlijke hervatting van de rechtse onderhandelingen heilzaam zouden uitwerken op het gemoed van Maxime Verhagen, maar toen hij tijdens het informatiedebat in de Kamer op zijn beurt zat te wachten, was daar nog bedroevend weinig van te merken.
Verhagen sloeg de benen over elkaar, zette de bril af, wreef zich in de ogen. Hij rekte zijn nek uit, zag iets, probeerde te grijnzen. Hij draaide zijn zetel een kwartslag, zei iets, draaide de zetel terug. Hij verschoof papieren, trommelde op het tafelblad, keek opzij, zuchtte met gesloten lippen.
Afgelopen weekend had Verhagen bij kunnen slapen, in de achtertuin kunnen zitten, er was tijd overgeschoten voor een kappersbezoek. Zelf durf ik de kapper nooit tegen te spreken als hij zegt: ‘Je wilt toch zeker niet zo’n fris opgeschoren nekje, hè?’, Verhagen beschikt vermoedelijk over een sterkere eigen wil.
In de Kamer probeerden linkse leiders nog enige invloed op debat en formatie uit te oefenen. Roemer zei dat de Koningin ‘onhoffelijk’ was behandeld, Halsema beloofde Verhagen te zullen herinneren aan diens belofte dat het CDA nooit zou regeren met ‘een partij die godsdienstigen vernederde’, uit het PvdA-vak vielen de woorden ‘Nou, nou, nou’ te beluisteren. Het waren de machteloze pogingen van iemand die zich tussen verstrengelde geliefden probeert te wringen door te benadrukken dat hij ook rechten heeft, en gevoelens, maar Verhagen leek er niet van te kunnen genieten.
Eenmaal achter het spreekgestoelte zette Verhagen twee gestrekte handen met de vingertoppen naar beneden op het tafelblad. De linker kwam vlak voor zijn buik, de rechter werd met kleine hopjes van hem weggezet, of juist dichterbij gehaald, alsof hij de voor- en nadelen van verschillende formaten dwarsbalkjes besprak.
Plotseling, zonder aanleiding of waarschuwing, zette hij een zeer harde stem op, en zei: ‘De brief van Klink had om procedurele redenen niet geschreven mogen worden, daarom ga ik er inhoudelijk ook niet op in.’ Er was geen speld tussen te krijgen. Volume, gebarentaal en logica zijn de belangrijkste pijlers onder Verhagens overtuigingskracht.
woensdag 8 september
Naar de Koningin
Na het avondeten maakte Mark Rutte maandagavond een nieuwe gang naar de Koningin. Het riep de vraag op of hij die andere gang al had gemaakt, de gang naar de bijstandsmoeder, die tijdens de verkiezingscampagne door Netwerks’ versie van Rutte’s bezuinigingsplannen zo aan het schrikken was gemaakt dat de tranen over haar wangen rolden.
Rutte sloeg de hoek van de Heulstraat om en stapte ontspannen in de richting van paleis Noordeinde. Rutte is altijd vrolijk; zijn humeur lijkt onverwoestbaar. Hij kan mensen knallend van enthousiasme op de schouder slaan. Een ander verschrompelt onmiddellijk tot een berouwvol aanhangsel ervan, maar Rutte steekt duimen naar mensen op alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Vrijdag brak Wilders de onderhandelingen over een rechts kabinet af en bleek tijdens een persconferentie van Rutte onverwacht dat Jantje ook kon huilen. Met gebogen hoofd keek hij naar zijn handen op het tafelblad. Een mondhoek werd neergelaten, en verder neergelaten, en trok een groef van teleurstelling in zijn kin.
Even later tilde hij zijn hoofd op en stelde zachtjes voor nu zelf een ‘proeve’ van een regeerakkoord te gaan schrijven. De kleine ogen deden vermoeden dat hij onzeker was over het antwoord, maar als je het zo netjes vraagt, is dat eigenlijk niet nodig.
Nu was het maandag en had Ab Klink met zijn vertrek uit het CDA de weg naar hervatting van de rechtse onderhandelingen misschien wel weer opengelegd. Maar ook zonder dit goede nieuws zou Rutte zich allang weer hebben hersteld. Rutte was Rutte, nietwaar, en tussen de actualiteiten had zich bovendien een zonnig weekend afgespeeld.
Met stille bovenarmen naast een vooruitgestoken borst – het werk moest uit de onderarmen komen – liep Rutte over het plein naar de trappen van het paleis. Het was nog even afwachten hoe de Koningin zou reageren op de vlaai die Wilders later die avond ter ere van zijn eigen verjaardag voor haar mee zou brengen – zes september is de geboortedag van Prins Claus – maar dan lag een rechtse regering weer in het verschiet.
dinsdag 7 september
Lars
Buiten bevond alles zich in een diepe crisis, maar in het park scheen de zon en stapten mijn Duitse neefje en ik onverdroten over de paden.
Lars (8) heeft een ontroerend kleine bril, groen omrand, die stevig achter zijn oren haakt. Op zijn buik bungelt een speelgoedverrekijker. Hij reageert enthousiast als er paprikasoep op het menu blijkt te staan.
Onderweg naderde hij een aangevreten stadseend tot op een meter, pakte zijn verrekijker en draaide diens kale achterwerk zo dicht mogelijk voor zijn ogen. De eend, zei hij, is een schitterende vogel.
Bij de vijver liet ik hem even begaan, zodat ik zelf via de telefoon kon lezen hoe het met de crisis ging. Het viel niet mee. Volgens De Hond was het electorale potentieel van Wilders nu vijftig zetels. In de Volkskrant beweerden stemmen dat nu definitief was aangetoond dat Wilders niet deugde. Met de volgende regel leek een Telegraafverslaggever vooral zijn eigen teleurstelling vorm te geven:
‘De linkse kerk juicht na het stuklopen van de besprekingen over een rechts kabinet. De door linkse partijen, lobbyclubs en subsidieontvangers gevreesde bezuinigingen (…) lijken tot hun opluchting van de baan.’
We liepen verder. Het beste was zo lang mogelijk over de terugweg te doen. Na een uur kwamen we in een straat waar je met een verrekijker en een beetje fantasie nog kogelgaten kon zien die de Duitsers er in de gevels hadden achtergelaten.
‘Zeg Lars,’ vroeg ik, ‘heeft de leraar jullie al eens over de oorlog verteld?’ Jazeker, zei hij: Hitler had de wereld in oorlog gestort. Er waren miljoenen mensen vermoord, alleen maar omdat Hitler zo’n slecht mens was. Ik haalde adem, boog voorover: ‘Jullie zijn anders maar wat graag achter hem aangerend. Of dacht je dat die gaskranen zichzelf hadden opengedraaid?’
Ik wachtte tot het ventje van de ergste schrik bekomen was. Daarna nam ik zijn hoofd tussen mijn handen en keek hem dichtbij in de ogen. ‘Sorry hoor,’ zei ik. ‘Oom is een beetje in de war. Maar wij bevinden ons hier momenteel dan ook in een zeer ernstige situatie.’
maandag 6 september
Anoniem
Nadat Wilders de onderhandelingen over een rechts kabinet liet mislukken, beeldde hij tijdens een persconferentie uit dat het niet aan hem gelegen had. De handen gingen ruggelings de lucht in, de mond open, de wenkbrauwen stonden hoog. Fortuyn zei: Hier sta ik, ik kan niet anders. Bij Wilders wordt het: Hier zit ik, ik heb het niet gedaan.
Het deed denken aan een voorval in Tovenaarsleerling van Meindert Fennema. Dat boek wordt vreemd gevonden omdat er verzonnen ‘affairettes’ in staan. Misschien heeft de schrijver zich zodanig in zijn onderwerp verplaatst dat hij van de weeromstuit zin kreeg het met diens assistentes aan te leggen.
Het is 2004. Op televisie noemt Wilders de ideeën van Fortuyn over moslims ‘verwerpelijk’. Met enige regelmaat laat hij zich met vrienden en hun echtgenotes door buitenlandse regeringen fêteren, bijvoorbeeld in Taiwan.
Als Wilders wordt gepasseerd voor een staatssecretariaat raakt hij bezeten van de gedachte dat hij de VVD moet verlaten, en van het idee dat ze hem eruit willen zetten. Een ander moet tussen dergelijke obsessies kiezen, de één dreigt anders de ander op te heffen, Wilders kan tegengestelde obsessies kracht uit elkaar laten putten.
Op de dag dat de VVD besluit de pers een tijd te mijden, lekt Wilders zijn beroemde 10-puntenplan naar De Telegraaf. Dat was geschreven voor een Limburgs discussieavondje, nu lijkt het alsof er een opstand is uitgebroken.
Er wordt een vredesvergadering belegd. De dag ervoor vertelt Wilders de Volkskrant anoniem dat er mensen zijn die hem uit de fractie willen zetten. Tijdens de vergadering is het pijnlijk stil. Niemand weet wie de bron is, niemand weet of het verhaal klopt. Mocht het waar zijn, hebben ze hem of haar er lelijk buiten gehouden.
Dan neemt Wilders het woord: ‘Er zijn collega’s die anoniem de meest erge dingen over me zeggen tegen de pers. Als die zich niet bekendmaken, en als er geen afstand van wordt genomen, ben ik nu weg.’
Er komt geen antwoord. Met opgeheven neus verlaat Wilders de partij. Op zo’n manier kan hij niet werken.
vrijdag 3 september
Drie visjes
‘Voordat je die brief lekt,’ zei partijvoorzitter Henk Bleker, ‘moet je er wel even in uitleggen wat “de-naturalisatie” betekent. Anders begrijpen de mensen het niet.’
‘Goeie,’ zei Ab, en zette achter dat woord twee gedachtestreepjes. Daartussen noteerde hij: ‘het ontnemen van het Nederlands staatsburgerschap.’
Henk stak een Dagblad van het Noorden bij zich en liep verder. Op de voorpagina stond: ‘Onze man in Den Haag’. Daaronder een citaat van een vriend uit woonplaats Wollinghuizen: ‘Henk lult een visje nog uit het water.’ Verder werd in het artikel gewag gemaakt van zijn passionele voorkeur voor welsh-pony’s. Thuis had hij daarvan een heleboel. Zijn lievelings heette: ‘Wolling’s Dauphine Deux’.
‘Maxime,’ zei hij even later. ‘Het is rond. Ab lekt de brief, zodat iedereen weet dat hij echt een’ – Henk rolde met de ogen – ‘zuivere en gewetensvolle afweging heeft gemaakt, en dan kun jij gewoon verder.’
‘In die brief,’ zei Maxime, ‘staat dat ik het congres om de tuin wilde leiden.’
‘Wij zijn het CDA,’ zei Henk kalm. ‘CDA’ers begrijpen dat er een grens is aan wat inspraak vermag, en dat die bij een dreigende tegenstem bereikt is. En geen zorgen over je reputatie. Hier, in NRC, zegt een anoniem Kamerlid: “We hebben Maxime gekozen omdat je als fractievoorzitter zonder verstand van zaken meningen moet kunnen verkondigen”.’
‘Dat kan ik, hè?’ zei Maxime. Dat was al de zoveelste keer vandaag dat hij zichzelf niet tegenviel.
Opgeruimd toog Henk naar een derde vijver. ‘Geert,’ zei hij. ‘Het is rond. Ab ligt op zijn rug.’ Geert zei: ‘Ik ben anders nog steeds van plan bij de presentatie van het akkoord een historiserende toespraak te houden over dat, hier en nu, de de-islamisering is begonnen.’
‘Voluit op het orgel,’ zei Henk. ‘Geen probleem.’ Hij sloot de deur en liep naar buiten. De afgelopen dagen had het veel geregend, nu brak de hemel open. Als de visjes het een paar dagen zouden uithouden op het droge, kon hij zijn pony’s komend weekend weer eens lekker laten draven. Niet veel mensen wisten het, maar zoiets gaf een schitterend gezicht.
donderdag 2 september
Crisis
In een krantenprofiel over Ab Klink viel te lezen dat hij is opgegroeid tussen de kroketten en frikadellen van de snackbar van zijn ouders in een Zeeuws dorp, en dat hij als jongvolwassene in de grote stad een crisis heeft gehad.
Zelf ben ik opgegroeid tussen de droogrekjes van het warenhuis van mijn ouders en mocht ik als jongvolwassene ook een crisis beleven. Een opvoeding tussen kroketten en droogrekjes is vermoedelijk een goede voorbereiding op een crisis. Een beetje religie doet de rest.
Misschien is een crisis niet veel anders dan geconfronteerd worden met het grote gat tussen de werkelijkheid en het beeld dat je daarvan voorgeschoteld hebt gekregen, tussen je werkelijke en gedachte zelf. Omdat je niet weet hoe het gat te vullen, spring je er zelf maar in.
Op het hoogtepunt van de crisis bevond ik mij ’s nachts op een landweg voor de woning van een schilder, die ik die avond had ontmoet. Het was aardedonker. Het enige licht kwam uit een vierkant raampje in de woning, waardoorheen ik de schilder met ontbloot bovenlichaam een boksbal zag bewerken. Misschien had hij ook wel een crisis.
Ik zette het op een rennen, zo snel als het ging sprintte ik voor de crisis uit het donker in. Na enkele minuten werd ik al ingehaald door de schilder in zijn auto. Hij stapte uit, zette de ellebogen op het dak. ‘Wat was dat nou?’ vroeg hij. Achteraf was het gemakkelijk: ja, crisis. Toen haalde ik de schouders op.
Crisisgevoelige mensen doen er verstandig aan beschutting te zoeken – buiten loeren kwaad en gevaar. Na de crisis werd Klink zeer actief in het CDA en stortte hij zich op de ontwikkeling van het christendemocratische gedachtegoed. Zelf heb ik na enige omzwervingen, sommige vrolijk, in dit hoekje plaatsgenomen.
Iedereen gelukkig, al doet de aanblik van een droogrekje me dan nog altijd verzinken in droeve overpeinzingen over hoever je eigenlijk van jezelf af kunt drijven. Misschien hebben de vierentwintig kroketten van snackbar Piet Patat die de CDA-fractie tijdens de crisisvergadering liet aanrukken op Klink een vergelijkbaar effect gehad.
woensdag 1 september
Schijnbeweging
We weten niet of de onderhandelaars in de formatiekamers van de Eerste Kamer vurige pleidooien houden met de Grondwet in de hand of dat zij daar blaadjes uitscheuren en er vliegtuigjes van vouwen, we weten alleen dat zij de Eerste Kamer op hun eigen wijze benaderen.
Wilders gaat binnendoor, via de gebouwen van de Raad van State, gevolgd door, of misschien wel hand in hand met zijn secondant. Zo omzeilen zij de grote groep meest audiovisuele verslaggevers die onrustig op de stoep voor de Eerste Kamer staan te wachten.
Dan komen, vanuit een hoek van het Binnenhof waar de zon het vaakst lijkt te schijnen, Mark Rutte en Edith Schippers naderbij. Rutte is bewonderenswaardig ontspannen, vrolijk en uitgerust, het boordje een beetje open – elke dag opnieuw de eerste na een verkwikkende vakantie.
Hij zal een opgeruimd karakter hebben. Het zal helpen dat in zijn partij niemand bang is dat hij grondbeginselen uit het raam gooit. Zolang er geen kilometers worden beprijsd en kinderen geen milde straffen krijgen, is liberalisme een vorm van schouderophalen.
Verhagen en Klink komen gewoonlijk uit de richting van het Plein. Omdat aan hen de meeste nieuwswaarde kleeft, is het aardig te zien hoe de verslaggevers zich gedragen als zij in de verte zichtbaar worden. De beweging die zij maken lijkt op die waarmee je een vloerentrekker hanteert.
Energiek schieten de journalisten zo ver mogelijk naar voren. Vlak voor de voeten van Verhagen komen zij abrupt tot stilstand. Verhagen blijft doorlopen, zijn ogen proberen vertrouwen uit te stralen. Door de journalisten wordt een gedecideerde, achterwaartse beweging ingezet, waardoor soms een belangstellende dame omver wordt geduwd, maar daar kunnen de journalisten niets aan doen. Zij hebben geen ogen in de rug.
Ab Klink ziet de groep journalisten van een afstandje aankomen en huppelt er op het laatste moment met een handig boogje omheen – een schijnbeweging die eindigt tegen een nieuwsgierig kind. Hij helpt het overeind, strijkt het over de bol, lacht een beetje schaapachtig naar ouders en journalisten, hopend dat de schade mee zal vallen.
dinsdag 31 augustus
Laarsjesdag
Ik liep over het Plein naar het Binnenhof en lette ondertussen goed op of ik Sabine Uitslag misschien ook ergens zag. Sabine Uitslag is een jonge vrouw uit het oosten van het land en Kamerlid voor het CDA. In haar vrije tijd zingt zij rockliedjes op een podium.
Ik wilde haar vragen of het waar was wat onlangs in de Volkskrant werd gesuggereerd, dat zij één van die ‘dissidente CDA-fractieleden’ was, die zo met het geweten worstelden dat zij mogelijk tegen samenwerking met de PVV zouden stemmen.
Zij zou daarop vermoedelijk geen antwoord willen en mogen geven, maar ondertussen zou haar gezicht maar mooi boekdelen spreken, want om gewetensnood effectief uit de gezichtsuitdrukking te weren, moet je langer in het CDA meedraaien dan zij heeft gedaan. Ik schat dat twee periodes genoeg moeten zijn.
Daarna zou ik haar nog veel meer vragen willen stellen over het CDA-geweten, want daar lijkt iets wonderlijks mee aan de hand te zijn. Als de CDA’ers met PvdA en VVD zouden gaan regeren – en zo ingewikkeld kon dat toch ook weer niet zijn – konden ze vier jaar achtereen het lied van de godsdienstvrijheid zingen en, desgewenst, bij dissidente klanken het vingertje heffen. Maar dat doen ze niet. Ze willen per se met de PVV, met alle gewetensbrokken van dien.
Misschien was het geweten voor CDA’ers wel zo belangrijk dat ze een paar keer per dag bevestigd wilden zien dat ie er nog zat, en werkzaam was. Als je het geweten niet af en toe een beetje voelde opspelen, kreeg je zomaar het idee dat ie gevlogen was. Het moet een beetje schuren en knagen: je marchandeert, dus je bestaat.
Ik sloeg de hoek om en zag de regen in grijze vlagen over het Binnenhof waaien. Sabine Uitslag zag ik nergens. Wel tal van andere vrouwen, die als op afspraak, of bij toverslag, ineens allemaal laarzen bleken te dragen. Laarsjesdag: geen nazomer, geen Uitslag, weer niets over het CDA-geweten geleerd vandaag. Martin Bril had gelijk: je mist meer dan je meemaakt.
maandag 30 augustus
The bad lieutenant
Misschien heb ik deze zomer wel teveel tijd voor mezelf genomen, maar toen ik Maxime Verhagen naar de onderhandelingskamers in de Eerste Kamer zag lopen, moest ik denken aan The bad lieutenant, de laatste film van Werner Herzog, en ook aan Faust, die zijn ziel aan de duivel verkocht om een schone te kunnen schaken.
Net als The bad lieutenant houdt Verhagen zijn rechterschouder hoger dan de linker en laat hij de kijker lang in spanning over zijn ware aard. Hij zou niet onderhandelen met de PVV, hij onderhandelt met de PVV. Het is verleidelijk in zijn getergde lichaamshouding de werking van het geweten te zien, in werkelijkheid is er net als bij the bad lieutenant fysiek ongerief in het spel, dat je hen uiteraard niet gunt.
Voor de deur van de Eerste Kamer kwam Verhagen tot stilstand in een haag opgewonden journalisten. Scherpe waarnemers zagen dat hij op buikhoogte, buiten het bereik van de camera’s, de vingers van beide handen spreidde, de vingertoppen tegen elkaar zette, en dat die handen trilden.
In de vergelijking met Faust had ik voor de rol van de duivel Geert Wilders geenszins in gedachten, hoewel ik hoop dat velen dit wel alvast verongelijkt hebben aangenomen, maar veeleer de rol van schone dame. Lubbers heeft de twee samengebracht, en komt nu als tegenprestatie, conform de afspraak, zijn ziel opeisen.
Zelf zag ik vooral de ogen van Verhagen, die ondanks alles bleven fonkelen. Zijn blik deed denken aan de wijze waarop ik onlangs op zondagmiddag een kinderloos echtpaar op een pannenkoekschip om zich heen zag kijken. Het bovenste laagje is vreugde, dat zien we allemaal, maar wat zit daar onder? Kijkend naar Verhagen zou je wensen dat je emotie-archeoloog was, en je pikhouweel had meegebracht.
Tegen de pers zei Verhagen iets als: ‘Als je kijkt naar tegelijkertijd met het oog op.’ Daarna liep hij met zijn pijnlijke rug de Eerste Kamer binnen. We wensten hem het beste, en wisten niet of, wanneer en hoe we hem terug zouden zien.
vrijdag 2 juli
Weg
Ik zat op het terras te peinzen over het gebrek aan een Nederlandse vertrekcultuur, toen ik Hero Brinkman (PVV) met kleine, voorzichtige pasjes naderbij zag komen.
In ons land houden mensen niet van vertrek. Verdonk na een motie van afkeuring, Balkenende na het Irak-rapport, Cohen met zijn Noordzuidlijn, al die rechters die TBS’ers op moorddadige weekendverloven hadden gestuurd – niemand ging hier ooit eens lekker weg.
De president van De Nederlandse Bank leek het laatste voorbeeld van een gebrekkige vertrekbereidheid. Wellink had Icesave verkeerd gedaan, ABN/Amro, DSB, maar, legde iemand uit in Nova: ‘Het internationale bankwezen is die man zijn léven.’
Hero liet zich op een stoel zakken, met een van pijn vertrokken gezicht wreef hij over zijn rechterkuit. Hero had ‘tak’ gehoord. ‘Je wilt op tijd zijn, zet even aan en – ták.’
Ja, tak. Sinds ik lid was van de sportschool hoefde je mij over tak-geluiden niets meer te vertellen. Mijn laatste tak-ervaring dateerde van 12 januari. Na drie maanden met een halfbruikbare kuit te hebben rondgehobbeld, vroeg ik een fysiotherapeut wat er mij aan de hand was. ‘Je bent geen twintig meer,’ zei die. ‘Laten we eerlijk zijn.’
Dat was een beetje jammer om te horen natuurlijk, maar ook wel weer geruststellend. Na je 35e verspeelde je het recht precies te weten te komen wat je mankeerde. Je hoorde eens tak, knak of krak – maar je was eerlijk, en voor zover het nog lukte, haalde je de schouders op.
Hero was moe, zei hij. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen. Zelf was ik ook een beetje moe, en dan had ik dus nog niet eens een jongerenafdeling hoeven opzetten, of me verantwoordelijk hoeven te voelen voor het democratische gehalte van de PVV. Nog een dag of wat, zei hij, terwijl hij moeizaam opstond, en dan ging hij naar huis.
Zou de wereld opknappen als mensen vaker zouden vertrekken? Zou uw vertrouwen toenemen als meer mensen tijdig huiswaarts zouden keren? Vooraf kon je zulke dingen niet zeggen; Hero en ik konden hooguit het goede voorbeeld geven.
donderdag 1 juli
Slechte peilingen
Het leuke aan Maurice de Hond is dat hij al vijfentwintig jaar inaccurate peilingen levert, gewoon blijft doorpeilen, en ook dat wij ons bij iedere bevinding opnieuw een hoedje schrikken en ons angstig en spastisch gaan gedragen.
In een opiniestuk in de Volkskrant schreef De Hond: ‘Er zijn vele bewijzen dat slechte peilingen voor een regeringspartij de bereidheid om compromissen te sluiten aanzienlijk doet verminderen.’ Ik denk dat ‘slechte peilingen’ hier een dubbele betekenis heeft. Er zou weinig aan de regel veranderen als we de woorden ‘slechte peilingen’ door de woorden ‘Maurice de Hond’ vervangen.
‘Op negen juni heeft de kiezer gesproken,’ schreef de Hond verder, ‘en nu staat hij alweer buitenspel.’ Dit lijkt op wat Geert Wilders in het formatiedebat zei: ‘Anderhalf miljoen PVV-kiezers worden door de elite als melaatsen behandeld.’ Hoedt u voor de massa en zijn furie, wordt hier eigenlijk gezegd, beide zullen zich explosief vermenigvuldigen, als niet onmiddellijk naar ons geluisterd wordt.
Om het systeem tegen massa en furie te beschermen, doet De Hond – de beroerdste niet – voorstellen tot bestuurlijke vernieuwing. Ik parafraseer. Er moet een regeerakkoord komen van een half A-viertje. Elke minister moet voor elk voorstel opnieuw een Kamermeerderheid veroveren. Lukt dat niet, wordt het voorstel per referendum voorgelegd aan het volk, waarna de Kamer met het volk dient mee te stemmen.
Zo help je de slechte peiling, in de dubbele betekenis, aan de macht. Als ik me niet vergis, worden hier de eerste bouwstenen aangedragen voor de vestiging van een Dehondocratie. Elke dag een peiling, elke dag stemming, elke dag het antwoord ‘nee’.
Toen DSB-bank failliet ging, bood Dirk Scheringa zich aan als ‘gevolmachtigde crisisminister op financieel gebied’. Als bedrijven als DSB failliet konden gaan, was er zoveel met het land aan de hand dat het hoog tijd werd dat ondernemers als hij orde op zaken gingen stellen.
Het probleem van Scheringa, Wilders en De Hond is niet dat zij problemen zijn, want dat zijn wij allemaal. Het probleem is dat zij zich als remedie zien.
Huiselijk geluk
Toen ik gisterochtend in alle vroegte op een keukentrap in de badkamer het ledlampje van het spotje in het badkamerplafond verwisselde, ontglipte mij het glazen beschermplaatje en viel het in kleine stukjes op de tegels stuk.
Die plaatjes scheiden elektriciteit van water, een verantwoordelijk huishouden kan niet zonder, dus ik naar Hornbach. Van dat bezoek moet ik het een beetje warm hebben gekregen, want toen ik een uur later opnieuw op het keukentrapje stond, duurde het niet lang voordat het vermaledijde kleinood mij opnieuw uit de vingers glipte.
Bij Hornbach waren de glazen beschermplaatjes op. Ook bij Praxis, Gamma, Karwei, Formido en enkele badkamerspeciaalzaken konden ze me niet aan een nieuw beschermplaatje helpen. Pas halverwege de middag stapte ik uit een winkel voor schildersbenodigdheden met een nieuw plaatje in de hand, weliswaar van plastic, maar dan kon hij tenminste niet meer kapotvallen.
Dit plaatje was te groot. Ik moest de veil ter hand nemen. Na drie kwartier vruchteloos veilen, ben ik naar de buurman gelopen, die het plaatje met zijn slijptol in de schuur in een handomdraai in het juiste formaat wist te brengen.
Helemaal zonder pijn laat het huiselijk geluk zich nu eenmaal niet genieten, dat weet ik net zo goed als u. De dag was misschien naar zijn grootje, maar met voetbal, vongele en Riesling kon de avond nog gemakkelijk worden gered.
Ik stond net onder de douche de voetjes in te zepen toen mijn vriendin in de keuken de warmwaterkraan opendraaide, met koude gevolgen voor mij. Ik sprong op, gleed uit, sprong opnieuw op, gleed opnieuw uit – een duo handelingen dat zich in de twintig seconden die volgden ettelijke honderden keren zou herhalen, met exponentieel toenemende snelheid van het voetenwerk.
Ik heb niet gereageerd op de vraag wat er in vredesnaam aan de hand was. Ik heb ook niets gezegd toen de vriendin met een rulle handdoek en kalme, ronde bewegingen mijn rug heeft drooggewreven. Ik heb wel twee keer naar de kunststof druppel gewezen, die zich langzaam van mijn smeltende beschermplaatje probeerde los te maken.
Vuurpeloton
Het is helemaal niet moeilijk een systeemhater te worden als wij het lot tot ons laten doordringen dat De Goudse Verzekeringen op het leven heeft gelegd van de 38-jarige stukadoor V. uit het Gelderse dorpje J..
Wat zich aanvankelijk liet aanzien als een schouderblessure blijkt het eerste teken van een levensbedriegende vorm van lymfeklierkanker te zijn geweest.
V. zit thuis. Van de pijn kan hij zich niet langer bewegen. Hij is zelfstandig, er komt geen geld meer binnen voor zijn gezin. De Goudse weigert zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering uit te keren omdat hij twintig jaar geleden ‘heeft nagelaten’ op het applicatieformulier in te vullen dat hij vijfentwintig jaar geleden zijn enkel heeft verzwikt.
Hoe bezwaard is het gemoed van de Goudse-medewerker die deze beslissing op zijn geweten heeft? Onbezwaard. Op de kantoren van De Goudse heerst denkelijk de verantwoordelijkheid van het vuurpeloton. A vult wat in, B zet een stempel – aan het einde van de keten lost de computer een schot waarvoor niemand zich verantwoordelijk voelt.
Als niemand verantwoordelijk is, zijn wij het allemaal. Iedere Goudse-medewerker weet dat hij werkt bij een bedrijf dat een nihilistisch ‘businessmodel’ hanteert. De ervaring leert, het is uitgerekend: als je iedere kankerpatiënt een uitkering weigert, zal de rechter je maar in een klein deel van de gevallen dwingen alsnog tot betaling over te gaan. De rest van de kankerpatiënten weet niet dat je kunt protesteren, is te murw, te ziek of te dood.
Ja, marktwerking in de zorg. Winstmaximalisatie. Je haalt fysiotherapie uit een pakket, tilt dat in een nieuw, veel duurder pakket, en weigert alle mensen die van fysiotherapie afhankelijk zijn daartoe de toegang. Mensen die een hersenbloeding hebben gehad, kun je communicatiemiddelen weigeren zonder angst dat zij zullen bellen of een bezwaarschrift zullen schrijven.
Als de overheid zich bemoeizuchtig toont, kan de markt zijn gang niet gaan. Is de markt eenmaal zijn gang gaan, zeggen propagandeurs van markwerking, dan had de overheid een betere marktmeester moeten zijn.
vrijdag 25 juni
Intelligentie
In het jongste boek van de slimste mens op aarde, De wijde lucht omvatten van Daniel Tammet, valt te lezen dat 13,59 % van de mensen een IQ heeft van 85 punten en lager.
Als we dit cijfer van context willen voorzien, is het handig te weten dat als we volstrekt willekeurige antwoorden geven op de vragen van een intelligentietest, of dit door een chimpansee laten doen, wij ongeveer op dezelfde score zullen uitkomen.
Een deel van deze mensen redt zich prima. Een deel is handelingsonbekwaam, mag geen autorijden of contracten tekenen, wat jammer is voor de verkopers in de Mediamarkt, want die hebben juist bij deze mensen altijd zo’n succes. Een belangrijk deel woont in complexen voor begeleid wonen.
Nu ken ik toevallig een aantal mensen dat dergelijke mensen, LVG’ers genoemd, licht verstandelijk gehandicapten, begeleidt. Van hen weet ik dat hun bewoners – cliënten – zonder uitzondering op de PVV hebben gestemd.
Er is eigenlijk maar één ding waar zij meer van houden dan van Geert Wilders, en dat is vlees. Rundvlees. Hamburgers.
Gaan wij nu een beetje rekenen. 13,59 procent van ongeveer 13 miljoen Nederlandse kiesgerechtigden is 1.766.700. Om een zetel te bemachtigen, heb je ongeveer 65.000 stemmen nodig. 1.766.700 gedeeld door 65.000 maakt 27,18 LVG-zetels in het parlement.
Kijkend naar het aantal zetels dat de PVV heeft gehaald, 24, moeten we vaststellen dat op negen juni 195.000 mensen onderweg naar het stembureau een hamburgertent zijn tegengekomen.
Een PVV-plan waarvan je je kunt afvragen hoe intelligent dat is – Humberto Tan moet er overheen hebben gelezen – is het voorstel de termijn waarbinnen zwangere vrouwen abortus mogen laten plegen drastisch te beperken.
De correlatie tussen intelligentie en abortus is algemeen bekend: hoe intelligenter de mens, des te beter hij zich tegen ongeluk en ongerief kan beschermen; waaronder bijvoorbeeld een ongewenste zwangerschap.
Naar het vrouwbeeld achter het voorstel kunnen wij slechts een slag doen, maar het werpt wel nieuw licht op de woorden van Hero Brinkman: ‘Over vijftig jaar moeten er ook nog mensen op de PVV kunnen stemmen.’
donderdag 24 juni
Kapot spelen
De afgelopen weken heeft het Nederlands elftal ons dom en inspiratieloos voetbal voorgeschoteld: we zagen nodeloos gehobbel op het middenveld, achterin waren de breedtepasjes niet te tellen.
Er was een tijd dat dit speltype doorging voor on-Hollands en laf, maar tegenwoordig hebben deskundigen er het predikaat ‘kapotspelen’ opgeplakt en moeten we geloven dat er een strijdplan achter schuilt.
Heeft iemand trouwens in de gaten dat ik hier een analoog soort prutsparabel over de kabinetsformatie probeer op te zetten? Al krijgt hij dan geen enkele bal – de Binnenhofwatcher dient het speelveld breed te houden.
’s Ochtends zien we de politieke leiders over het Binnenhof naar de formatiekamers in de Eerste Kamer lopen – ‘Geen commentaar’. Aan het einde van de dag komen zij weer naar buiten. Op dit ogenblik zien zij geen mogelijkheden van de mogelijkheden kansen te maken.
Binnenhofwatchers leggen deze woorden op een goudschaaltje. Soms draaien zij de woorden om, in een enigszins machteloze poging daaraan nog enige betekenis te onttrekken – zou Rutte niet eigenlijk het tegendeel bedoelen? Daarachter staat een tweede schil Binnenhofwatchers met een meer analytische geest, die het gedrag uit de eerste schil probeert te verklaren.
Ik sta daar ook ergens tussen. Ik denk: de eerste die hier kapotgespeeld raakt, is helaas de journalistiek.
Eergisteren zagen we Dominique van der Heyde, sterverslaggeefster van de NOS, een studio in rennen om live in Het Journaal over de kabinetsformatie te vertellen – ja, ze vertelde eigenlijk niets, er viel niets te vertellen. Daar kon zij ook niets aan doen.
Ze was buiten adem, en dat kan ik me van mijn bloedeloze carrière op de velden van BVO Emmen op sportpark ‘Sfeerrijk Meerdijk’ nog goed herinneren: met bal kun je eindeloos blijven rennen, moe wordt je pas als je er de hele tijd achteraan kunt.
Iedere dag staan we op het Binnenhof. Ruikend naar haring, plakkerig van het schepijs, kapotgespeeld. Als we met dit spel de finale halen, zeggen we om de moed erin te houden, praat niemand meer over de eerste ronde.
Veel plezier tegen Kameroen.
dinsdag 22 juni
Lokjoden & lokhomo’s
Bijna dagelijks roepen verontwaardigde mensen in kranten dat homoseksuelen en joden dagelijks worden bedreigd en dagelijks worden uitgescholden. Hoe gretig ik normaal gesproken ook aan de goede kant van discussies ga staan, het is me nog niet gelukt mij ook een beetje verontwaardigd te voelen.
Op YouTube is deze dagen een filmpje van de Joodse Omroep te zien, waarin een lokjood zich hinderlijk opdringt aan een groepje Marokkaanse jongens. De uitlokking moet stevig worden aangezet – shalom, shalom, horen jullie me wel? – maar dan reageert inderdaad de groep. Een paar jongens schelden, eentje brengt de Hitlergroet.
Dat is natuurlijk niet mooi, maar bewijst het filmpje nog iets anders dan dat uitlokking werkt? Bewijst het dat joodse mensen niet langer veilig zijn op straat?
Een half jaar geleden togen medewerkers van een televisieprogramma met verborgen camera en lokhomo enkele probleemwijken in. Er is heel wat gewuifd, gekird en opzichtig met achterwerken gedraaid, maar al wie op de muckrakers afkwamen: alleen Marokkanen die vroegen of ze hen misschien ergens mee van dienst konden zijn. Nodeloos te vermelden dat de inzet niet tot uitzending heeft geleid.
Ik mag overigens niet verklappen om welk programma dit gaat, de anekdote is me op halflegale wijze toegespeeld – ik hoop maar niet dat het een lokbron was – maar wat ik wil zeggen: bewijst de anekdote dat homoseksuelen veilig zijn op straat?
De bekende incidenten: een leraar die niet over de Holocaust durft te beginnen, twee uit hun wijk gepeste homostellen, hier en daar wat voetbalantisemitisme. Als je de incidenten over de tijd en het aantal inwoners verdeeld, zou je het bijna eens kunnen zijn met Job Cohen: helemaal veilig worden steden nooit.
Maar als het waar is wat ik in een dagblad las, dat er in Amsterdam-West een schuilsynagoge bestaat – om voor de hand liggende redenen werden er geen bewijzen bijgeleverd – en er dus echtparen zijn die daar angstig naartoe moeten lopen – je zou bijna zeggen: met pruik en opplakbaard – wordt het misschien toch eens tijd me iets van de verontwaardiging eigen te maken.
Annie
In de eerste weken van de verkiezingscampagne stapte het Twentse Kamerlid Annie Schreijer-Pierik onverschrokken uit de strenge fractiediscipline en voorspelde haar CDA met Balkenende als lijsttrekker publiekelijk een enorme verkiezingsnederlaag.
Het was niet persoonlijk, zei ze. Tegen Jan Peter had ze niets. Het was meer: ook al had je er nog zoveel plezier van gehad, na acht jaar wilde je weleens een nieuwe zomerjurk.
Gevraagd naar een reactie zei Balkenende: ‘Ach, dat zijn de woorden van een vertrekkend Kamerlid.’ Hij keek er veelbetekenend bij, zodat we zouden begrijpen dat er van de rancuneuze Annie en haar motieven niets kon deugen.
De campagne ging voort, de nederlaag kwam – we hadden eigenlijk niet meer aan mevrouw Annie gedacht tot een cameraploeg haar opzocht in haar Twentse boerderij. Annie had gelijk gekregen, en niet zo’n klein beetje ook, maar het gelijk smaakte naar niets. Ze liet zich filmen terwijl ze ontredderd op één been in de bijkeuken stond, drie vingertoppen aan de keukentafel.
Het mooist aan de reportage was de langzame tocht die Annie en haar echtgenoot over het tuinpad naar de openbare weg ondernamen, waar zij nog maar enkele weken tevoren een groot CDA-verkiezingsbord aan een boom hadden bevestigd, met de stralende beeltenis van Balkenende erop.
De echtgenoot schroefde het bord van de boom, deed twee stappen achteruit, en bleef schuldbewust naar de elektrische schroevendraaier in zijn handen kijken. Je had niet veel ogen nodig om te kunnen zien dat het nog lang zou duren voordat in huize Schrijer-Pierik die schroevendraaier weer met plezier ter hand zou worden genomen.
Annie hield het bord vast, keek er even naar, en streek de beeltenis van de lijsttrekker liefdevol over de bol. ‘Dit heeft Jan Peter niet verdiend,’ sprak zij, en begon een hand voor het gezicht te wapperen, als wilde zij op die manier haar tranen drogen.
Met bord, en met de elektrische schroevendraaier, ondernamen zij hierna de lange tocht naar huis terug. Als deze mensen klein moesten worden gemaakt, hadden zij daar Balkenende niet bij nodig, dan deden zij dat nog altijd zelf.
Laatste werkdag
Aan het einde van zijn laatste werkdag als fractieleider van het CDA liep Pieter van Geel naar de terrassen op het Plein. Even keek hij om zich heen, alsof hij naar gezelschap zocht. Daarna koos hij een eenzaam tafeltje onder de bomen.
Zijn laatste Haagse werkdag in zijn eentje vieren: dat had hij niet verdiend. Ze zeggen dat hij zijn politieke leven aan Balkenende heeft geofferd. Alles heeft hij verdedigd, ook het onverdedigbare. Hij keek nooit eens chagrijnig, kreeg het hooguit soms een beetje warm; Van Geel heeft gewetensnood een opgewekt gezicht proberen te geven.
Aan de andere zijde van het terras zat Verhagen in een vrolijk groepje CDA’ers. De Koningin kon zeggen dat het land zich in een moeilijke fase bevindt, maar daarvan aan Verhagen niets te zien. Telkens als hij een grapje maakte, sloeg hij op de tafel, en boog zich naar voren, zodat zijn stralende gezicht vlak boven de tafel even het middelpunt van het uitbundige groepje vormde.
Met kleine stapjes kwam Agnes Kant intussen langsgelopen; zij had het hardste gewerkt, en op de hardste wijze afscheid moeten nemen. De hele middag had zij in de Kamer gezeten. Voor elke vertrekkend Kamerlid had de Voorzitter een aardig woordje klaar, maar Kant leek die niet te horen, en bleef enigszins droevig voor zich uitkijken.
Af en toe wreef zij zich in de ogen, zodat het leek alsof zij moest huilen. Helemaal zeker was ik niet. Een mens vergist zich gemakkelijk in zulke zaken. Ik had me juist voorgenomen thuis wat redelijker te zijn, toen alles niet aan mij bleek te liggen, maar aan de biologische mascara.
Het groepje CDA’ers rond Verhagen stond vrolijk op, liep vrolijk van het terras. Ik hoopte dat zij Van Geel in de gezelligheid zouden opnemen, maar zij zagen hem niet, wilden hem misschien niet zien, en vertrokken lachend in de richting van de Korte Poten.
Een tijdlang bleef Van Geel nog aan zijn tafeltje zitten. Hij dronk een glas wijn. Hij at een maaltijdsalade. Hij las De Telegraaf.
donderdag 17 juni
Zelf formateur worden
In NRC Handelsblad verweet de voormalige LPF’er Joost Eerdmans de media aan te sturen op een regering van VVD, PvdA, GroenLinks en D66. Gewoonlijk ben ik het al bij voorbaat met Eerdmans oneens, in dit geval heeft hij gelijk.
Volgens de kranten die zichzelf met kwaliteit in verband brengen, is Paars-Plus de enige redelijke uitkomst. Gisteren rekende de Volkskrant uit dat VVD, PVV en CDA samen maar vijf zetels hebben gewonnen, en Paars-Plus achttien. Nu wordt het CDA – min 20 – er alleen bijgehaald om de winnaars aan een meerderheid te helpen, dus zo lusten we er nog wel een paar.
Statistiek – geef mij een paar cijfers, en ik reken u voor dat ik er leuk uitzie in een avondjurk.
Omdat je van de kranten niet wijzer wordt, stak ik mijn formatielicht op bij mijn favoriete bron. Hij zat op het terras. Er ging meer bier in dan er theorie uitkwam, en dat was de verhouding waar ik naar zocht.
Als de vorming van een rechtse coalitie mislukt, zei hij, wordt uitgeweken naar Paars-Plus. Omdat Cohen Pechtold liever is dan Rutte, voelt dit voor de laatste aan als drie tegen een. Met traineren en telkens nieuwe eisen kan de PvdA deze formatie naar zijn grootje helpen. Hetzelfde zullen ze doen met de formatie van de coalitie die bekendstaat onder de enigszins aanstellerige benaming ‘Groot’ of ‘Nationaal’: VVD, CDA, PvdA.
Het is dan september. De Koningin wordt ongeduldig, iedereen roept dat het land bestuurd moet worden. Rutte heeft drie kansen gehad, en moet het initiatief laten aan Cohen, die een coalitie vormt met SP, D66 en GroenLinks. Het CDA wordt daar ook bijgevraagd, waarin de Klinks’ en Terpstra’s hun invloed intussen ten koste van Verhagen hebben vergroot.
Rutte, Wilders en Verhagen hebben dus maar een kans, daarna krijgt Cohen het voor het zeggen. Nodeloos te vermelden, zei de bron, dat hen er alles aan is gelegen deze tot een goed einde te brengen. Ik heb daar het woordje ‘juist’ aan toegevoegd: een rechtse meerderheid is de enige die aanvoelt als een meerderheid.
woensdag 16 juni
Achterkamers
In een zaaltje aan de Lange Poten hield de nieuwe informateur een persconferentie. Uri Rosenthal (VVD) is senator en professor. Als je bedenkt hoeveel bedachtzame intelligentie er op de achtergrond van de politiek bestaat, is het opvallend hoe weinig daarvan tot de voorgrond weet door te dringen.
In de opdracht die Rosenthal van de Koningin had gekregen, stond dat het land zich in een moeilijke fase bevindt. De enige andere keer dat een staatshoofd zich zo had uitgesproken, was het 1935. Rosenthal kon zeggen dat er ook toen een crisis was, dat het politieke landschap ook toen ‘verpulverd’ was, maar ondertussen had de Koningin ons maar mooi aan de Tweede Wereldoorlog laten denken.
Mensen die gewend zijn schuimbekkend op dergelijke vergelijkingen te reageren, kunnen hun onbedaarlijke brieven richten aan Paleis Noordeinde, Postbus 3042, 2500 GK Den Haag. De meest gebruikte aanhef is ‘Majesteit’, maar ‘Mevrouw’ mag ook.
Rosenthal vertelde dat hij alle fractievoorzitters zou ontvangen, en dat vond Paul Jansen, sterverslaggever van De Telegraaf, een beetje irritant. ‘De mensen begrijpen niet dat u niet meteen met VVD en PVV om tafel gaat. Waarom die beleefdheid, waarom dat protocol en Haags gedoe? De buitenwacht begrijpt dat niet!’
Ik denk dat Jansen een punt heeft. Mensen, gewone mensen, die de afgelopen maanden dagelijks De Telegraaf hebben gelezen, zullen inderdaad niet kunnen begrijpen dat er nog andere partijen dan VVD en PVV bestaan. Dat die ook nog hun mond open mogen doen – opnieuw een natte klap in het oranje geverfde gezicht.
In kranten, op televisie, op de terrassen van het Plein: overal hoor je zeggen dat deze verkiezingen ‘eigenlijk’ geen winnaar kent. Deze stemmen hebben gerekend buiten de sterverslaggevers van De Telegraaf.
Na de persconferentie wandelde de informateur over het Binnenhof naar de formatiekamers in de Eerste Kamer. De zon deed de klinkers en de gevels goed. De formatie kon een aanvang nemen. Journalisten konden weer posten, roddelen, schepijs eten, haring. De retteketet-campagne was voorbij. We hadden er misschien lang op moeten wachten, maar nu verdwenen de politici eindelijk weer in hun achterkamers.
Reliblank I
Het was een uur of vijf in de nacht, ik schrok wakker en zag ineens heel helder de beeltenis voor me van Kees van der Staaij (SGP). De man met de zijscheiding die zich zo zoetjesaan van de schedel onafhankelijk wenst te maken, de blik altijd een mengeling van doortastendheid en ongeloof.
Ik heb niets tegen Van der Staaij. Het is meer dat alles wat ik doe en alles wat ik belangrijk vind zich afspeelt buiten zijn morele actieradius.
Er lijkt zich een coalitie te vormen van VVD, PVV en CDA. Deze steunt op zesenzeventig zetels, en laat op die zesenzeventigste zetel nou net Hero Brinkman zitten, dan ineens een invloedrijke politicus. Je kunt proberen hem in een ministerschap van zijn voorkeur onschadelijk te maken, maar omdat het gevaar van afscheiding blijft bestaan, heeft Van der Staaij al gezegd de coalitie van gedoogsteun te willen voorzien.
Ik heb niets tegen rechts. Ik heb niets tegen religieus of conservatief. Een extreemrechtse en tegelijk orthodox-christelijke coalitie – op internet al ‘Reliblank I’ gedoopt – is misschien wat overdreven, en zou van het dagelijks vullen van dit strookje zomaar een maatschappelijke dienstplicht kunnen maken.
Ingeklemd tussen Wilders en Verhagen, aan het touwtje van Van der Staaij – dat had Rutte vermoedelijk niet in gedachten toen hij zijn eerste liberale standpunten begon te ontwikkelen, of toen hij een prijzenswaardige kijk op de vrijheid van meningsuiting presenteerde, maar had dat misschien wel moeten doen voordat hij aan zijn campagne begon.
De kiezer wil chocolade. De kiezer krijgt chocolade, moet ook chocolade krijgen, uitgedeeld door Rutte, Brinkman en Van der Staaij. Je weet dat de kiezer zich misselijk zal vreten, je weet alleen nog niet wanneer. In de tussentijd moet Rutte zorgen dat hij zoveel mogelijk geniet. Zo vaak wordt een mens geen premier.
We zullen de boel nederig proberen te volgen. Ook Mark persoonlijk. We zullen in beeld moeten nemen hoe die vogel in zijn pak probeert te wonen. In figuurlijke zin voorzie ik dezelfde problemen als die zich in letterlijke zin al aan ons voordoen.
Nul zetels
Het stond in alle kranten, het was ook op de radio: Rita Verdonk geeft de media de schuld van haar verpletterende verkiezingsnederlaag. Zij hebben haar niet de gelegenheid geboden, zegt zij, om haar programma te presenteren aan het volk.
Mediakritiek is een gezond verschijnsel, maar hierin valt geen redelijkheid te ontdekken. Verdonk is juist veel op televisie geweest. Normaal proberen programmamakers hun gasten exclusief te houden, Verdonk mocht soms op een avond in alle actualiteitenprogramma’s vertellen dat zij de files op zou lossen. Ze wilde alleen nog niet zeggen hoe, want dan ging de concurrentie ermee aan de haal.
Hoogtepunt was een langdurig interview in een tuinhuisje van sierlijk houtsnijwerk, in Netwerk of EenVandaag. Voorafgaand aan het gesprek werd op een grindpad de handdruk tussen interviewer en geïnterviewde uitgebreid in beeld genomen, als betrof het een historische ontmoeting.
Het probleem is niet dat zij te weinig in de media is geweest, het probleem is zelfs niet dat zij te veel in de media is geweest, het probleem is dat zij precies genoeg in de media is geweest. We weten wie ze is. We herinneren ons de adequate reactie op de Schipholbrand, we zullen haar behandeling van Hirsi Ali niet vergeten.
En laten we eerlijk zijn: in de schipperscafés in de hoerenbuurt bij mij om de hoek hangen de uitgewoonde hoeren van zestig plus zondagsochtends tegen zessen charmanter over de bar dan zij over het spreekgestoelte hing om Wouter Bos in de Kamer voor leugenaar uit te maken.
Als iemand met het karakter van Verdonk nu over haar lot mocht beslissen, kon ze haar huis verkopen, haar vermogen opeten, en asperges steken, maar ik heb zomaar het idee dat zij zich het wachtgeld de komende jaren goed zal laten smaken.
Een half leven in overheidsdienst, een half leven op het pluche, zonder ooit een bijdrage te leveren, en nu met de zakken vol wachtgeld mekkeren dat de ander het heeft gedaan – in het hele land is vermoedelijk geen andere onrendabele te vinden die de gemeenschap zoveel kost als zij.
Adieu JPB
Na het slotdebat van vanavond stapt Balkenende in zijn dienstwagen op het Binnenhof. Op de achterbank zit Bianca al enige tijd te wachten. Ze kijkt naar hem. Hij kent die blik van het laatste CDA-congres – er zit ongerustheid in, een lichte angst misschien – maar dat betekent nog niet dat hij de blik begrijpt
Op 24 april bekrachtigde Balkenende voor het CDA-congres zijn hernieuwde lijsttrekkerschap met de woorden: ‘U kunt op mij rekenen!’ Iedereen was opgestaan en in hartstochtelijke vreugde uitgebarsten. In de hele zaal was er toen eigenlijk maar één die een beetje angstig naar het podium omhoog bleef kijken.
Nou vooruit, misschien twee.
De wagen rijdt naar het Buitenhof, slaat rechtsaf in de richting van het Lange Voorhout, om zijn weg te zoeken naar Capelle aan den IJssel, naar huis.
Als Balkenende even naar links zal kijken, kan hij mij op straat zien staan, kijkend naar zijn vertrek. Het moment is niet vrij van droefenis. Het land is zijn premier kwijt, een man zijn functie – en we weten hoezeer mannen functie met waardigheid verwarren.
Als het klopt wat ik hoor zeggen – dat Balkenende mijn portret De lachende derde een rotboek vindt – zou ik de woorden van Simon Carmiggelt in herinnering willen brengen, uitgesproken nadat Godfried Bomans hem in een verhaal bij de enkels had afgezaagd: ‘Het mooiste geschenk dat je van een schrijver kunt krijgen is een verhaal.’
Balkenende kijkt naar buiten, de straten zijn donker. ‘Jan Peter,’ zegt Bianca zacht. Hij voelt hoe zij haar hand op de achterbank legt, hoe de hand langzaam dichterbij komt, maar hij slaagt er niet in het gebaar te beantwoorden.
Dit was het dus, denkt hij – de campagne die met een grote knal begon, is geëindigd met een sisser. Op vijf mei stond Balkenende op een podium in Wageningen. Een man naast hem stak een fakkel in een grote korf. Het Bevrijdingsvuur ontbrandde niet. De man deed een nieuwe poging. Opnieuw ging het vuur niet aan.
Dat was het moment dat Balkenende besloot zijn arm in de korf te steken. Precies toen vond een ontploffing plaats – bijna stond de premier in lichterlaaie. Ik zag het op tv. Ik dacht: die man is nergens bang voor. Mijn vriendin begon over neurologie, maar zulke dingen zegt ze ook vaak tegen mij.
Na een ontploffing zijn wij tijdelijk doof. Er treedt een metalige stilte in. We zien monden bewegen, ledematen, we zien mensen en patronen, maar niets dringt werkelijk tot ons door. Zo heeft Balkenende de campagne ervaren – stille patronen waar hij geen vat op kreeg.
Achteraf kun je zeggen: het was niet Balkenende die loskwam van de werkelijkheid, de werkelijkheid verwijderde zich van hem. Maar goed, dat zijn van die dingen die een mens zich pas veel later realiseert.
‘Bianca,’ zegt hij. Hij legt zijn hand op de bank, tussen hen in, een vreemde hand, alsof die iemand anders toebehoort. Nu is het Bianca die niet reageert.
Zo rijden ze naar huis, zo komen ze in de straat waaraan hun hofje ligt. Acht jaar lang is Balkenende iedere avond met deze auto naar deze plek gebracht. Nooit eerder heeft hij de richtingaanwijzer gehoord. Nu vult het geluid ineens de wagen, valt het geluid hem bijna aan – de kale soundtrack die normaal gesproken gestrande huwelijken tot aan de voordeur begeleidt.
Enkele uren later ontwaakt Balkenende met een schok. Het is alsof iemand hem van dichtbij in het oor heeft geschreeuwd: ‘Obama is aan de telefoon!’ Hij schiet overeind, schudt zijn hoofd; verward. Hij heeft het toch niet zelf geroepen?
Amelie is op zijn bed gesprongen. Papa. Eindelijk thuis. Gescheiden ouders worden weemoedig van de halve millimeters die kinderen groeien in weken die zij bij de co-ouder verblijven. In Balkenendes geval lijkt het alsof zijn dochter in een nacht acht jaar ouder is geworden.
Er welt iets in hem op, krachtiger dan ooit. Het schiet omhoog, een hete bal. Met dat die in zijn borst uiteen spat, slaakt Amelie een kreet. Vlak daarna springt ze huilend van het bed, rent huilend door de gang, de trap af, door de huiskamer naar de keuken, waar de troostende moeder op haar wacht.
Balkenende gaat op de rand van het bed zitten, de ellebogen op de knieën. Hij is geen staatsman geweest, geen democraat, geen goede premier. Hij is er niet in geslaagd de langstzittende premier te worden, een prijs waar hij het graag voor had gedaan. De mensen zullen hem herinneren als iemand die niet tegen grapjes kon, die alle kritiek persoonlijk nam; een beetje kinderachtige premier.
Eigenlijk, denkt hij, terwijl hij met wankele benen op de vloerbedekking staat, had hij helemaal geen premier mogen worden. Na honderd jaar verzuiling bevrijdde het land zich eindelijk van het CDA. Het was alleen maar te danken aan de angst en onzekerheid na de moord op Fortuyn dat kiezers tijdelijk op oude reflexen waren teruggevallen.
Wat volgde was een periode die nog maar enkele uren geleden tot een einde is gekomen, en waar nu al bijna niemand meer met plezier aan terugdenkt. De geschiedenis is begonnen, en Balkenende is historicus genoeg om te weten dat die geschiedenis wel eens genadeloos kan zijn.
Hij trekt een schoon pak aan, vers van de stomerij. Uit het kostuum dat hij vannacht op een stoel heeft gelegd, stijgt de zoete, weeïge geur op van verlies. Hij loopt naar de badkamer om zijn tanden te poetsen, zijn bril te zoeken. Een tussenpremier, een pauzenummer dat acht jaar heeft geduurd.
De mensen zeggen graag dat niets hem raakt, dat niets aan hem blijft kleven. Op zijn gezicht ontbreken de sporen die een premierschap daarop gewoonlijk achterlaat. Na vannacht valt dit niet langer vol te houden. Hij ziet moe, hondsmoe, kapot.
Hij daalt de trap af, loopt via de huiskamer naar de keuken, waar hij Amelie nog in de armen van Bianca treft; ze snottert nog wat na, met kleine, schattige hikjes. ‘Peter,’ zegt Bianca. Als zij hem zo noemt, weet hij wel weer hoe laat het is. Dan heeft hij het weer gedaan.
Drie Balkenendes bestuderen de arm van Amelie. De vrouwen nog enigszins onthutst, maar dat komt omdat zij vrouwen zijn. Zij begrijpen niet dat de vaderliefde soms kan overmeesteren. Zij begrijpen niet dat de vaderliefde zich soms aan ons voordoet als een gebitsafdruk in een blote kinderarm.
De omgang met vrouwen – hij zal het wel nooit meer leren. Jan Mulder heeft eens een boek geschreven met de titel: ‘De vrouw als karretje’. Misschien kan Balkenende eens een boekje schrijven met de titel: ‘De vrouw als skateboard.’
Het gezin ontbijt in stilte. Naast zijn bord heeft Bianca een stapeltje ansichtkaarten klaargelegd – gelukwensen, in allerlei gradaties van oprechtheid. Gelukkig heeft zij er geen folder met gemotoriseerde grasmaaiers tussen gestopt. Sommige vrouwen hebben haast. Bianca begrijpt dat de werkelijkheid in kleine porties aan hem moet worden toegediend.
Klokslag negen uur is Balkenende in het Torentje. Niet iedereen staat er bij stil dat een premier op zijn post dient te blijven tot er een nieuwe is geïnstalleerd. Er is geen bezoek, geen mail, geen telefoon. Er wordt niets van hem verwacht.
Een tijdlang bestudeert hij de werkkamer die acht jaar de zijne is geweest; de vitrinekast, de glazen tafel bij de zithoek. Daarna stuurt hij Amelie een sms: ‘Het spijt papa erg dat jij vanochtend zo moest huilen.’
Het kind stuurt er per ommegaande eentje terug: ‘Jij moet niet sorry zeggen dat ik moest huilen, papa, jij moet sorry zeggen om wat je hebt gedaan.’
Na de koffie gaat Balkenende voor het raam staan, de handen op de rug. Op het pleintje tussen het Mauritshuis en het voormalige ministerie Koloniën zal de komende weken veel te zien zijn. Toeristen, journalisten. Elke ochtend zullen de onderhandelaars over dit plein naar de formatiekamers bij de Eerste Kamer lopen; die hele generatie sympathieke veertigers die nu zijn plek opeist in het centrum van de macht.
Maar op drie juli begint het Kamerreces en zal een lege stilte neerdalen op het uitzicht van de werkeloze premier. Kamerleden met vakantie, de onderhandelaars in Beesterzwaag, de parlementaire pers er achteraan.
Ik zal dan in mijn kamers aan de Lange Poten zitten, een paar honderd meter verderop. Misschien denk ik aan de eerste minuten nadat de Damschreeuwer de mensen op de Dam op onstuur had gebracht. Iemand schreef daar later over: ‘De overheid sloeg als eerste op de vlucht.’ Dat was misschien waar, maar ik had ook gezien met hoeveel tegenzin Balkenende zich door een bewaker weg liet duwen, hoeveel tegendruk hij gaf aan de bewakershand in zijn rug.
Zo zal ik me Balkenende herinneren: een man die je moet wegduwen van de plek waar het gebeurt, ook al is dat dan soms gevaar. (Het kan iets neurologisch zijn.)
In juli, augustus misschien, aan het einde van een werkdag, als het terras begint te lonken, zal ik een paar keer op dat plein gaan staan, en naar het Torentje omhoog gaan kijken, terwijl ik denk: het mooiste geschenk dat een schrijver kan krijgen is een dankbaar onderwerp.
Daar staan we dan, daar zullen we staan, de handen op de rug. Een premier zonder macht, zonder taak, zonder bezigheden, een verslaggever zonder onderwerp.
vrijdag 11 juni
JPB
Op de uitslagenavond van het CDA hoorde ik iemand Balkenende in verband brengen met een horrorfilm. De film is afgelopen, de aftiteling is van het scherm gerold, en dan komt er toch nog een hand tevoorschijn uit het water.
Bij Balkenende weet je het nooit. Je kunt hem feestelijk bedanken, met zijn allen zeggen dat het echt niet hoeft – Nederland kan op hem blijven rekenen.
In eigen kring was Balkenende altijd al leuk, de laatste maanden mocht iedereen de leuke kanten van zijn persoonlijkheid zien. Hij maakte grapjes, lachte veel, relativeerde, kon tegen kritiek. Dat was het dat onze angsten heeft gevoed. Er was namelijk helemaal geen reden voor vrolijkheid. Balkenende en de werkelijkheid waren gescheiden. Het lachen was onthecht.
Om half elf toonde Balkenende zich aan het aangeslagen CDA-publiek. Hij zei dat de heldere uitslag noopte tot het nemen van verantwoordelijkheid, en dat was ook weleens aardig uit zijn mond te horen, zo helemaal zonder het woordje ‘geen’.
Hij had ook ‘aangegeven’, zei hij, dat hij geen Kamerlid zou worden. Aangeven, wisselen, ombuigen, ergens op een bepaalde manier inzitten – te vrezen valt dat zijn talige erfenis met zijn politieke erfenis vergelijkbaar is, deel voor het geheel.
Het applaus kwam, Balkenende verloor het gevecht tegen de tranen. Een paar seconden drukte hij zijn voorhoofd tegen dat van zijn echtgenote. Dat was mijn moment van de avond. Ontroerend, vertederend.
Het werd verleidelijk om met Balkenende mee te voelen, ineens vreselijk te gaan lopen respecteren wat hij allemaal voor het land heeft gedaan. Van de andere kant moesten we niet vergeten wat hij zou hebben gedaan als hij wat meer stemmen had gekregen. Hij had meteen weer zijn wassen masker opgezet, en op zoek gegaan naar pogingen tot waarheidsvinding om in de knop te kunnen breken.
Balkenende en de tranen. Van zijn gezicht viel een wemeling van emoties af te lezen. Hij was beledigd, we zagen gekrenkte trots, en veel verdriet. De werkelijkheid en Balkenende waren samengekomen, met dit gezicht als resultaat. Eindelijk was er dan toch iets werkelijk tot Balkenende doorgedrongen.
woensdag 9 juni
Femke
De wending die de loopbaan van Halsema dreigt te nemen, brengt mij ertoe een voorkeur uit te spreken. Ik vind haar het beste Kamerlid. Dat wij niet de beste politici in de regering kiezen, bewijst dat wij niet kunnen stemmen.
Hoe lang is het geleden dat Halsema overal werd ingehaald als de nieuwe ‘première’? Twee maanden misschien. Hooguit anderhalf. Vandaag lijkt ze er evengoed nogal bekaaid af te zullen komen.
Bij GroenLinks mag je drie termijnen de baas zijn, maar Halsema vroeg compensatie aan. Ze had veel geïnvesteerd. Nu kwam ze eindelijk aan ‘verzilveren’ toe.
Ik heb de indruk dat ze ervoor heeft gekozen in de campagne op te trekken met de PvdA. Ze moet hebben gedacht zonder die lui sowieso niet in de regering te kunnen komen. Ik vrees dat de PvdA haar zal laten vallen, en dat ze weer vier jaar naar een PvdA/CDA-regering kan gaan zitten kijken.
Ik heb een paar keer GroenLinks gestemd, al kreeg ik steeds meer moeite met een deel van de achterban, even irrelevant als irritant; de linnen tasjes, een enkele evangelische communist, Mohammed Rabbae.
Gisteren zette iemand een uitspraak van Rabbae uit dagblad Trouw op Twitter. Twee procent van de joden stemt PVV. Rabbae: ‘Schokkend dat er joden zijn die niets van de geschiedenis hebben geleerd.’
De laatste jaren is GroenLinks wat liberaler geworden, en dat kwam goed uit, want hetzelfde gold voor mij.
Sommige mensen zeggen dat GroenLinks rechtster is geworden, en wijzen op hun pleidooi voor zwaardere straffen voor geweldsmisdrijven tegen homoseksuelen en allochtonen. Ik zou dat niet rechts noemen, maar grondwettelijk onzuiver.
Ja: als iedereen werkelijk gelijk is, moet je ook iedereen met precies dezelfde strafrechtelijke risico’s in elkaar kunnen beuken.
Anders krijg je de rare figuur dat je Mohammed Rabbae er eerst van moet overtuigen dat zijn afkomst niets te maken heeft met hetgeen er te gebeuren staat. Anders moet je iemand eerst vragen: ‘Zeg, bent u misschien homoseksueel? Ook niet in het verborgene? Tegen mij kunt u het wel zeggen, hoor.’
maandag 7 juni
Rode Rekenmeesters
Onder de naam ‘Rode Rekenmeesters’ verzorgden de afgelopen weken drie geschoolde PvdA’ers een collegeserie ‘sociaal hervormen’. In Leiden zag ik ze naast elkaar op een kansel staan. Plasterk, Groot, Nijboer. Drie witte overhemden. Drie blauwe kostuums. Drie rode stropdassen.
Ik was te vroeg, en kon eerst naar het terras. Leiden is een lekkere stad. Je moet alleen wel tegen die studentenmeisjes kunnen, met kelen als Duitse orgelpijpen, die de hele dag lucht door zichzelf omhoog persen om daar pas op het allerlaatste moment wat klank aan te geven.
De Rode Rekenmeesters zouden een bekend verhaal vertellen. Rigoureus bezuinigen was onnodig, kon zelfs gevaarlijk zijn. Op het terras dacht ik: sinds wanneer gaat de sociaaldemocratische benadering van economie eigenlijk door voor behoudend en suf? In mijn schooltijd was Keynes de man. Juist investeren als het slecht gaat. Vroeg storen, vooruit verdedigen, de crisis niet over de middellijn laten komen.
Of vond ik Keynes alleen maar tof omdat ik zijn theorie begreep? Vlak dit niet uit: het troostende geluk dat wij ervaren als er eindelijk eens iets tot ons doordringt.
Laatst zei iemand: ‘De grootste vijand van de arbeider is hij nog altijd zelf.’ Als ik sindsdien langs gesubsidieerde PvdA-flats loop, denk ik: daar zitten ze, de domme PVV- en VVD-stemmers. Het foute vlees van de gesubsidieerde buurtbarbecue tussen de kiezen, de adem stinkend naar de gratis koffie uit het buurthuis, te mekkeren over de bijstandsmoeder van verderop die van de gemeente een wasmachine heeft gekregen, terwijl hun eigen moedertje de was gewoon op de hand kon doen.
Waarom stemmen mensen in hun eigen vlees? En waarom voel ik me verplicht daar met mijn stem tegenwicht aan te bieden, en zo dus in mijn eigen vlees te stemmen, zonder dus dat die onrendabele mekkeraars mij ooit eens netjes kwamen bedanken? Het sloeg nergens op, dacht ik. Voortaan stemde ik alleen nog voor mezelf.
Met een opgeruimd gemoed volgde ik even later een prima college sociaal hervormen, waar ik me niet door liet beïnvloeden, en waarvoor overigens nauwelijks iemand belangstelling had.
vrijdag 4 juni
Badedas
Tijdens een debat in het homocafé op het Noordeinde zag ik enige tijd geleden een jongeman met halflang, krullend haar. Hij stond op een been, een beetje verborgen achter een pilaar, hield de armen over elkaar, en keek vriendelijk lachend de ruimte in, bijna verontschuldigend.
Na het debat ging ik naar huis. Ik dacht niet meer aan hem tot ik hem zaterdag op een foto in de Volkskrant zag. Hij stond op een been, een beetje verborgen achter een muurtje, hield de armen over elkaar, en keek vriendelijk lachend naar de camera, bijna verontschuldigend.
De jongeman bleek Jonathan van der Geer (25) te heten, en stond op de 41e plaats van de kandidatenlijst van de ChristenUnie. De afgelopen jaren had hij zijn omgeving langzaam aan zijn geaardheid laten wennen, nu mochten we allemaal weten dat hij homo is.
Het artikel gaf geen antwoord op de vraag of Jonathan een relatie had, en of dat eventueel van André Rouvoet zou mogen. Paul Rosenmöller moest er op televisie aan te pas komen om de vraag te stellen. Als Jonathan ‘een relatie’ had gehad, antwoordde Rouvoet, had hij niet op de lijst van de ChristenUnie mogen staan.
Meestal wordt in dergelijke gevallen gesproken van ‘praktiseren’. Ik vraag me dan altijd af wat daar precies mee wordt bedoeld. Ja, ik weet ook wel, van sommige voorbeelden zal iedereen onmiddellijk zeggen: ja, dat is nou praktiseren. Maar waar begint het? Met een kus, oogcontact – mag je iemand inzepen met Badedas?
Rouvoet sprak expliciet van ‘relatie’. Dat zou erop kunnen wijzen dat je achter het congrescentrum mag doen wat je goeddunkt, maar zodra je hand in hand het congres komt binnenwandelen te maken krijgt met Rouvoet en zijn bonnenboekje excommunicatievelletjes.
Volgens Rouvoet heeft Jonathan tegen hem gezegd dat hij ‘er moeite mee heeft dat anderen niet kunnen begrijpen dat iemand die homo is, bewust kiest voor een leven zonder relatie’. Er stond geen foto naast het bericht, maar ik stel me zo voor dat Jonathan deze woorden vriendelijk lachend uitgesproken heeft.
donderdag 3 juni
Zomer
Omdat in alle kranten stond dat ze bij het CDA niet langer geloofden in een verkiezingsoverwinning, besloot ik naar de dagelijkse CDA-campagnebriefing te gaan. Je wilt toch weten hoe het verlies zich toont.
De zon scheen uitbundig, er waaiden zachte, Mexicaanse deuntjes over het Plein. Sinds het begin van de campagne was het nog niet zulk mooi weer geweest, maar het zou raar zijn, en niet erg accuraat, om dit met iets anders dan het toeval in verband te brengen.
Achter een ovalen vergadertafel, de rug naar de lichtbruine lambrisering, zagen we een kalme minister Klink, door velen als opvolger van Balkenende gezien. Van zijn gezicht viel weinig af te lezen. Eigenlijk valt nooit iets van zijn gezicht te lezen. Om iets leesbaars op zijn gezicht te laten verschijnen, moeten vermoedelijk ongebruikelijke middelen worden ingezet.
De journalisten probeerden het nog wel: ‘Bent u beschikbaar als nieuwe leider van het CDA?’ Klink wiegde zichzelf op zijn bureaustoel. Daarna zei hij: ‘Ik blokkeer van deze vraag.’ Hij bedoelde: ik wil er niet over nadenken. De weg was nog lang, moesten we begrijpen, Parijs nog ver; van alles kon er nog gebeuren.
Zo hing Klink een vrolijk gordijntje voor de werkelijkheid. Als we daar in gedachten even achter probeerden te kijken, zagen we een campagne die eigenlijk al in de aanzet was mislukt.
In het eerste debat zei Balkenende tegen Rutte: ‘Ik maak een breekpunt van de hypotheekrenteaftrek. Durf jij dat ook?’ Hierna trok hij zijn broek vast naar beneden, en daagde Rutte zelfverzekerd uit hetzelfde te doen.
In de campagne van drie jaar geleden koos Balkenende ook al voor zo’n vroege aanval – ‘U draait en u bent niet eerlijk.’ Wouter Bos had daarop nogal gewond gereageerd. Misschien had hij beter kunnen doen wat Rutte nu deed. Die wuifde de aanval luchtig weg.
Van de weeromstuit richtten zich hierna de blikken weer op Balkenende. We hadden er niet om gevraagd, maar zagen de blote benen, het eenzaam bungelende breekpunt. Wat volgde was de koudste meimaand in ruim twintig jaar.
Topvrouwen
Het stond vooraf in de krant: maandagavond neemt Mariëtte Hamer deel aan een debat van politieke topvrouwen in café De Haagsche Kluis. Ik dacht: de mensen zullen wel massaal willen weten hoe zij de campagne ziet. Er waren vijftien belangstellenden. De topvrouwen bleken laaggeklasseerde dames van CDA, VVD en Lijst 17.
Zo ben je het gezicht van de PvdA, zo bepaal je wat er met het ontslagrecht moet gebeuren – het bonnetje van de JSF veilig in je portemonnee, zoals beloofd – zo zit je tussen de beginnelingen in een leeg café, de benen over elkaar, een meewarige blik. Ik wist dat dingen snel konden gaan, maar dit was overdreven.
De echte topvrouwen zaten tezelfdertijd rond Femke Halsema in De Wereld Draait Door. Alles in dat programma draaide om Femke, de ‘koningin van het Binnenhof’. Zij kon er haar mond niet van houden, liet Klijnsma (PvdA) en Hennis-Plasschaert (VVD) niet aan het woord; het schitteren liep een beetje de spuigaten uit.
In een emotioneel betoog verweet huisdichter Nico Dijkshoorn de topvrouwen aan het einde van het programma dat zij geen enkel woordje van bekommernis hadden gesproken over de doden op een hulpkonvooi voor Gaza.
Toen zagen we Femke in beeld. De schouders zakten, de bik werd invoelend. Het moralisme leeft. Je kunt niet gaan lopen schitteren als je niet eerst publiekelijk je gemak hebt afgesmeekt. De Koningin had even jammerlijk haar verdediging uit het oog verloren.
In het café moest Hamer intussen belangstelling veinzen voor wat een meisje van jongerenpartij Lijst 17 over emancipatie te zeggen had. ‘In een oorlog,’ zei ze, ‘komt al snel veel op de schouders van vrouwen terecht. Denk aan het gezin draaiende houden, kinderen in veiligheid brengen. Een man gaat dan toch al snel op pad om te vechten.’
Ik keek naar Mariëtte Hamer. Bij de meewarigheid had zich nu ook angst gevoegd. Tenminste: dat zag ik, meende ik te zien. Maar misschien legde ik de angst wel in haar ogen. Misschien was ik in haar geval wel een beetje in paniek geraakt.
’s Heeren wegen
Het was een late avond, enigszins humeurig reed ik door de polder naar het westen, toen het me begon op te vallen hoeveel verleden je in betrekkelijk korte tijd langs de wegen kunt verzamelen.
Op de radio bespraken zorgelijke stemmen de sombere toekomst die ons te wachten staat als mensen volgende week zullen doen wat ze Maurice de Hond hadden beloofd. Over de combinatie PVV, VVD, CDA kon je misschien van alles zeggen, maar lichter of luchtiger zou het allemaal niet worden.
Ik passeerde een parkeerplaats waarop een jonge vrouw het eens luidruchtig met mij heeft uitgemaakt. ‘Ik wil vooruit in het leven,’ riep ze. Met een grapje probeerde ik te redden wat er te redden viel: ‘Met mij kun je alle kanten op, maar vooruit blijft gewoon lastig.’ Het mocht niet baten. De grapjes mocht ik houden.
Ter hoogte van Nagele zei een stem op de radio: ‘Met PVV en VVD in de regering gaan we een armoedig publiek leven tegemoet.’ In het dorpje Nagele had ik eens een man bezocht die leed aan pseudologia fantastica. Hij had alles en iedereen van zich afgelogen: vrouw, baan, familie, vrienden. Op tuinstoelen op de betonnen vloer hebben we een uur zachtjes met elkaar gepraat. Daarna ben ik weer naar huis gegaan.
Ik dreigde een beetje verstrikt te raken in donkere gedachten over herinneringen en voorspellingen, toen ik plotseling iets moois zag langs de weg: een vierkant bord, in blauw en paars, met maar drie letters erop: ‘SGP’. Verder niets.
Kijkend naar dit bord begreep ik dat je de tijd dat zo onnadrukkelijk campagne werd gevoerd niet eens bewust hoefde te hebben meegemaakt om er toch een klein beetje naar terug te kunnen verlangen.
De radio ging uit, ik trapte het gaspedaal in op een wijze die wat beter met het humeur in overeenstemming was. Het verleden was niet alleen maar slecht, dacht ik, zoals het met de toekomst ook nog wel een beetje mee zou vallen. Het zijn eigenlijk alleen maar de momenten tussendoor die je de das omdoen.
maandag 31 mei
De Gang Naar de Bijstandsmoeder
Het mooiste moment uit de verkiezingscampagne is voorlopig de ongebreidelde woedeaanval die Mark Rutte in het programma Netwerk beleefde. Alle aanvallen tellen mee; de woedeaanval is mij het dierbaarst.
Netwerk liet een econoom enkele huishoudens voorrekenen welke gevolgen het VVD-programma voor hen zou hebben. Een bijstandsmoeder zou wekelijks vijftien euro te besteden overhouden, en huilde bittere tranen.
De geneugten van hoor- en wederhoor: in de studio mocht Rutte reageren. Hij werd niet goed, begon hamerend de Netwerk-berekeningen naar de hel te verwensen. De cijfers deugden niet, Netwerk bedreef ‘tendentieuze journalistiek’.
Je zou denken: zeg dan even hoe het wel zit. We kijken niet op een euro, maar een beetje VVD’er schudt toch zo uit zijn mouw wat zijn programma voor de verschillende inkomensgroepen te betekenen heeft?
Deden ze niet. Konden ze niet. In plaats daarvan begon de VVD amechtig te spinnen. Netwerk kon niet rekenen. Was bevooroordeeld. De econoom was helemaal geen econoom.
Pas vierentwintig uur later kwam de VVD met eigen berekeningen: de bijstandsmoeder ging er niet zeventig, maar twintig procent op achteruit. Of zoiets. Ja, na alle gespin konden ze moeilijk verlangen dat we hun cijfers ineens wel zouden geloven.
Het beeld bleef bestaan: van de VVD worden rijken rijker, en armen armer. Daar valt vanuit zeker oogpunt misschien wel iets voor te zeggen, maar doe dat dan ook. Nu lachen ze om regenkleding, en piepen bij de eerste druppels.
Rutte heeft gezegd dat hij de bijstandsmoeder zal bezoeken om haar gerust te stellen. Hij wil daar geen pers bij, maar hij kan op zijn duim gaan zitten. Nu willen we ook alles zien, elke seconde van De Gang Naar De Bijstandsmoeder.
Ik wil zien hoe hij onderweg bij een bakker stopt, want we mogen er hopelijk wel van uitgaan dat hij haar de keukenkastjes niet leeg zal vreten. Ik wil zien hoe hij haar uitlegt dat zij er twintig procent op achteruit gaat. Daarna kan die mevrouw even heel evenwichtig en ontendentieus precies twintig procent tranen plengen, en kunnen we verder, met die kutcampagne.
donderdag 27 mei
Campagnebriefing
Een verkiezingscampagne is een aaneenschakeling van pogingen jezelf gunstiger voor te stellen dan je bent, en de ander slechter, waarbij het niet uitmaakt hoe doorzichtig die pogingen zijn, of hoezeer je de kiezers ermee motiveert om van de weeromstuit het tegendeel te gaan geloven.
Ik zeg dit niet omdat ik al enkele weken achter allerhande overbelichtte campagneactiviteiten aansukkel, maar omdat ik gisteren voor het eerst de dagelijkse ‘campagnebriefing’ van de VVD heb bezocht.
Een campagnebriefing is een korte ochtendbijeenkomst waarin partijmedewerkers elke dag een nieuw voorstel aan de man proberen te brengen, en tegelijkertijd zoveel mogelijk benadrukken hoe stom de andere partijen wel niet zijn.
Tegen elven kwamen de journalisten binnen, de vorige campagnedag nog in de kleren. Vlak daarna verschenen drie medewerkers van de VVD. ‘Cohen heeft gezegd dat hij vanaf nu uit zijn hart gaat spreken,’ zei er eentje op vertrouwelijke toon. ‘Dus dat wordt nog wat,’ moesten we begrijpen. Verongelijkt: ‘Het CDA doet expres zo lang over hun briefing dat er zo weinig mogelijk journalisten tijdig hier kunnen zijn.’
Het VVD-plan van de dag luidde: MBO-scholieren die twee jaar achtereen aantoonbaar waardeloos onderwijs hebben genoten, moeten aan het einde daarvan door de school het schoolgeld op hun rekeningen terug krijgen gestort. Tweeduizend euro voor twee verloren jaren – daar zullen ze blij mee zijn.
‘Scholen moeten meer bedrijfsmatig gaan werken,’ was misschien de achterliggende gedachte, maar niet alle achterliggende gedachten zijn de benaming waard. Bedrijven streven naar winst. De school die het minste les geeft, kan aan het einde van het jaar de mooiste cijfers laten zien.
Wat wel wonderlijk was: de journalisten begonnen zakelijke vragen te stellen, aantekeningen te maken. Het lozen van loze plannen is kennelijk effectief.
Gelukkig volgde op de briefing nog een hele campagnedag, vol nieuwe plannen, debatten en gebeurtenissen. De kans was niet zo groot dat dit VVD-plan de krant zou halen. Het leek de VVD’ers niet te deren. Ze hadden toch weer even voeling met de pers gehoudenei. Ze hadden toch weer even campagne gevoerd.
woensdag 26 mei
Onthulling
Het was negen uur ‘s ochtends toen de campagneleider van Friesland op de Leiweg van Marum een bordje aan een verkeerspaal bevestigde. ‘CDA,’ stond erop, en twee zwarte pijlen. ‘Hangt ie goed?’ vroeg hij. ‘Uitstekend!’ riep ik, het hoofd uit het raam. Daarna stak hij twee duimen naar me op, en reed verder.
Het grensgebied tussen Friesland en Groningen was niet lelijk, maar wel mooi. De Leiweg slingerde zich langzaam door de weilanden. We zagen een boerderij, een schuur, vee. Het vers gemaaide gras moest nog worden opgebracht.
Na twee kilometer kwam de weg ten einde tegen een aarden wal met bosjes en bomen. Twee beveiligers waadden er door het hoge gras, keken wat om zich heen, stapten in een geblindeerde auto en reden naar de boerderij.
Achter de aarden wal bevond zich een weiland. Op de uiterste rand daarvan, tegen de A7, stonden twee billboards. Als Balkenende het zeildoek daar straks met enig ceremonieel vertoon van had verwijderd, konden automobilisten daarop ‘Kies een Fries!’ lezen als zij naar Friesland reden, en ‘Kies een Groninger!’ als de bestemming Groningen was.
Naast de billboards stond een microfoonstandaard in het gras. Daarnaast was een partytent opgezet, met boxen eronder en een laptop met toepasselijke liedjes. Er arriveerden ouderen, lokale CDA’ers, echtparen, jonge gezinnen; de vrouwen droegen driekwart broeken, de mannen hadden fleecejacks aan.
We stonden een half uurtje te wachten toen vanachter de aarden wal een trekker hoorbaar werd. Even later zagen we die langzaam dichterbij komen. Er hing een langwerpige kar vol CDA’ers achter. Deze kar was groen gerokt.
Balkenende had de mooiste plek: naast de bestuurder op het spatbord van het linkerwiel. Hij keek helemaal niet alsof hij het eng vond. Integendeel: hij lachte ontspannen, en had zijn hand omgekeerd op de knie gezet, zodat de elleboog stoer naar buiten stak.
De trekker reed het weiland op. Uit de boxen kwam de herkenningsmelodie van de oude tv-serie Love Boat. Mensen begonnen te applaudisseren. Auto’s met caravans kwamen toeterend voorbij. Met een energiek boogje sprong Balkenende in het gras.
dinsdag 25 mei
Tom
We stonden tussen duizenden vrouwen op het festivalterrein van de Libelle Zomerweken in Almere toen plotseling de 21-jarige, verstandelijk gehandicapte Tom in razernij ontstak, aan de greep van zijn moeder ontsnapte en tierend op zoek ging naar Femke Halsema, die zich niet aan de belofte had gehouden met hem op de foto te gaan.
Twee uur eerder had ik Tom in een tent een vraag aan Balkenende horen oplezen: ‘Gaat u bezuinigen op de gehandicaptenzorg? Wij hebben in ons huis namelijk geen geld voor bier en Japanse mix.’ Een uur later stelde hij Halsema dezelfde vraag. Beide keren hadden de vrouwen in het publiek tegelijkertijd vertederd gezucht, wat bij elkaar een boel vertedering was.
Na het politieke programma was Tom naar buiten gelopen, waar hij Femke niet kon vinden, maar door zijn moeder aan mij werd voorgesteld, ‘een man van de krant.’ Tom keek me aan. Wat hij zag, beviel hem niet. ‘Godverdomme,’ zei hij. ‘God, godverdomme!’
‘Het antwoord van Femke beviel ons verreweg het best,’ zei de moeder. ‘Ze daalde in haar taal af naar zijn niveau. Wat haar betrof, werd er niet bezuinigd.’
‘En Balkenende dan?’ vroeg ik. ‘Die deed het toch ook goed?’ Ik had althans gezien hoe hij op het podium voor Tom op zijn hurken was gaan zitten, zodat hun gezichten zich op dezelfde hoogte bevonden, en gehoord hoe hij hem uitgebreid met zijn vraag had gecomplimenteerd.
‘Balkenende vindt dat er niet bezuinigd moet worden,’ zei de moeder. ‘Dat kan iedereen wel zeggen.’ Ze keek naar Tom, die zich losrukte en met de woorden ‘Ik stem op Balkenende!’ op zoek ging naar de vrouw met wie hij nog een appeltje te schillen had.
‘En nu,’ zei de moeder, ‘moet ik in gaan grijpen.’ Ze rende achter Tom aan. Beiden verdwenen in de massa. Wel gek, dacht ik, om als een van de weinigen te weten dat er wellicht een ongeluk te gebeuren staat. Ik stuurde Halsema een waarschuwend twitterbericht. Mocht zij niet helemaal ongehavend de GroenLinks-bus bereiken, had ik in ieder geval mijn burgerplicht gedaan.
vrijdag 21 mei
Kleine dingen
Een van de conclusies die we kunnen trekken nadat het CPB zijn doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s heeft geopenbaard, en partijen daarop reageerden, is dat ons welbevinden van invloed is op de wijze waarop wij onze gezichtshuid dragen.
PvdA’ers hadden de wenkbrauwen haast achter de oren. Bij de VVD’er Stef Blok hing de boel aanmerkelijk lager. Zijn financieel secondant Dick Sluimers droeg de zijne net hoog genoeg om onder zijn oogleden door het zaaltje in te kunnen kijken.
VVD’ers zijn totaal ontspannen. Ze staan hoog in de peilingen. Volgens het CPB zorgen zij voor vierhonderdduizend nieuwe banen. Dat is mooi natuurlijk, al liet het CPB dan zien dat die banen wel een centje kosten. De huren stijgen met zestig procent, de koopkracht daalt, ‘kleine dingen in het ziekenhuis’ moet u voortaan zelf betalen.
‘Kleine dingen,’ vroeg iemand, ‘wat zijn dat precies?’ Sluimers tilde zijn gezicht een klein beetje op, net genoeg om over zijn leesbril te kunnen kijken, een inspanning waardoor de mond een weinig openzakte. ‘Nou, gewoon,’ zei hij.
‘Operaties?’ vroeg iemand. ‘Geen operaties,’ zei Sluimers. ‘Kléine dingen.’ ‘Huidbiopsie?’ ‘Huidbiopsie,’ zei Sluimers. ‘Of dat je op de Eerste Hulp komt en er moet ergens een pleister op.’ ‘Aha,’ zei iemand. ‘Bijna alle dingen.’
Hierna kwamen de files ter sprake, wat mooi was, want de grappigste uitkomst van het CPB is dat de files bij de VVD geen centimeter korter worden, ondanks alle nieuwe wegen die zijn ingepland. Dat is toch een beetje alsof de financieel specialisten van een groene partij zich een milieuramp bijeen hebben gerekend.
Ik zeg dit overigens neutraal. Hoe meer mensen in de file, hoe liever het mij is. Ik ben treinreiziger, en ik zit in de eerste klasse steeds vaker tussen mensen van wie ik denk: die zouden zich dit toch eigenlijk niet moeten kunnen permitteren.
‘Mensen met lagere inkomens,’ reageerde Blok, ‘kunnen bij ons gewoon hun auto houden.’ Misschien moesten we geloven dat al die leuke nieuwe VVD-files tot de kleine dingen behoorden; Blok tilde zijn gezicht er in ieder geval niet voor op.
donderdag 20 mei
Kansen
We zaten al een tijdje in de VVD-campagnebus te wachten tot Rutte zou arriveren en de bus naar Den Bosch zou rijden, toen we door de ramen zagen wat er gebeurde als de campagneactiviteit van de ene partij onverwacht stuitte op die van een andere.
Omstuwd door belangstellenden en cameraploegen onthulde Balkenende op het Buitenhof acht kleine CDA-auto’s, Fiats met wervende teksten, die de komende weken door het land zullen rijden. Van een afstandje kwam Rutte dichterbij.
Campagneteams proberen zoveel mogelijk kansen voor hun lijsttrekkers te creëren, maar er dienen zich ook genoeg onverwachte kansen aan. Voor lijsttrekkers is het zaak deze snel te herkennen en te verzilveren.
Gevolgd door camera’s waadde Balkenende door de menigte naar de VVD-bus, stapte in, en greep de microfoon. Dan zit je in een VVD-bus, vol flyers, ballonnen en bodywarmers, en dan word je door Balkenende toegesproken. ‘Vrienden,’ riep hij, ‘ik wens jullie veel succes, maar ook weer niet teveel.’ Hierop werd gelachen.
Eenmaal uitgestapt, kon Balkenende meteen achter Rutte aan, die nu zijn kans schoon zag en met lange benen naar een CDA-Fiat liep. Hij stapte in, vrolijk lachend. Balkenende had toen meewarig kunnen blijven staan kijken hoe Rutte zijn lange lijf in de kleine Fiat wurmde, maar dat deed hij niet, hij stapte in, op de passagiersstoel.
In het licht van de camera’s kon je Rutte nu horen roepen: ‘Ik zit achter het stuur!’, en Balkenende horen denken: ik ben de hele avond als bijrijder op televisie.
Er werd nog wat gelachen en gefotografeerd, daarna stapte Rutte eindelijk in de VVD-bus. Die vertrok later dan gepland, raakte om de hoek in de file, en arriveerde pas in Den Bosch toen de winkels gesloten waren, de straten en pleinen uitgestorven.
Er waren wel vijf cameraploegen. In een hotel stond een Indonesisch buffet. Op de terugweg was er witte wijn. En dat was allemaal heel leuk en aardig, maar ergens op de Moerdijkbrug begon ik wel hevig te verlangen naar ‘die harde campagnefase’, die ons toch allerwegen in het vooruitzicht is gesteld.
Kopstoot
Het zaaltje waarin Job Cohen maandagmiddag een groep Nijmeegse studenten toesprak, leek sterk op het zaaltje waarin de Deense cartoonist Lars Vilks vorige week tijdens een lezing over de vrijheid van meningsuiting in Uppsala een kopstoot van een hysterische moslim kreeg.
Sinds Vilks enkele jaren geleden een cartoon publiceerde waarin Mohammed figureerde met het lichaam van een hond wordt hij bedreigd en aangevallen; zaterdag is geprobeerd zijn huis in brand te steken. Op internet staan beelden van het zaaltje na de kopstoot. De moslims hebben het erg moeilijk. Mannen grijpen naar het hoofd. Een vrouw houdt niet op met krijsen dat Allah groot is.
Drie jaar geleden liet ik me weleens vervoeren door de Turkse broers van taxibedrijf Revolutie Tax. Ze werden niet moe uit te leggen hoe heilig Mohammed voor ze was; ze hadden liever dat je aan hun moeder zat. Ik was daarvan onder de indruk. Als de Profeet werkelijk zo belangrijk voor ze is, dacht ik, waarom daar dan niet met de vingers afgebleven?
Intussen vraag ik me af hoe ijdel je moet zijn om bij het geringste tekeningetje je verstand en waardigheid te verliezen, hysterisch aan je haren te gaan trekken en de tekenaar met een kopstoot zoveel mogelijk te beschadigen.
De afgelopen jaren heb ik weinig over moslims geschreven. Het was mijn onderwerp niet. Aan beide kanten van de discussie was het ook wat lawaaiig. Er is kennelijk niet veel redelijkheid nodig om uit te komen op zelfcensuur.
Volgens Job Cohen moet je moslimorganisaties subsidiëren omdat religie een uitstekend middel is om moslims te laten integreren. Ik heb geen verstand van integratie, en ook niet van economie, maar ik heb zomaar het gevoel dat zoiets goedkoper kan.
Ik zou de zelfcensuur wel willen afleggen, al heb ik dan over moslims niets te melden. Wel hoop ik op een krantenbericht: ‘Cartoonist hoekt belager’. Hoe vaak je naar de beelden van het zaaltje in Uppsala kijkt, je blijft hopen dat iemand de belager vlak voor de kopstoot met een eind hout tot kalmte brengt; integreert.
dinsdag 18 mei
Kaal
Het was zondag, de campagne lag stil, ik stond met een stapel kranten bij een bushalte, toen een groepje fietsende hockeymeisjes naderbij kwam.
In de media was iedereen verontwaardigd. Over Jack de Vries, Ruben. Een cameraploeg volgde Ruben van ziekenhuisbed tot vliegtuig om te controleren of de media hem wel met rust lieten. ‘Schande dat het blaadje Binnenhof een zwangerschapstest uit de vuilnis van Pechtold haalt en die informatie vervolgens publiceert,’ publiceerde Maartje van Hoek in Het Parool.
Verontwaardiging, hypocrisie, verontwaardiging over hypocrisie; de campagnestop zette het land mentaal in de file.
Een hockeymeisje noemde de naam van een man, een ander riep: ‘Die is kaal en zesendertig!’ In een wolk van vrolijke afschuw fietste het groepje aan mij voorbij, een kalende man van achtendertig. Bij een bushalte.
Ik moet zeggen: ik nam het goed op. Beter dan acht jaar geleden. Op mijn dertigste verjaardag fietste ik met een taart naar huis. Bij de universiteit stonden prachtige meiden. Ik rechtte de rug, zette een zwoele blik op, toen een meisje riep: ‘Pas op, jongens, een meneer met een taart!’
Ik word altijd een beetje ongelukkig van taart. Wat je er ook aan vrolijks opschrijft, ik zal altijd lezen wat ik onlangs op de arm van een man zag: ‘Memento Mori’, gedenk te sterven. ‘Specifieke tatoeage,’ zei ik, want het is de neutraliteit waarmee we ons tegen de ander proberen te beschermen.
‘Mooi hè,’ zei hij. ‘Hij herinnert me eraan dat ik sterfelijk ben, en van ieder moment moet genieten.’ Dan had je de tekst ‘Carpe Diem’ moeten kiezen, dacht ik, pluk de dag, maar uit angst voor ontregeling zei ik dat maar niet.
Kaal worden is niet erg. Er komt steeds meer hoofd tevoorschijn. Daar moet je tegen kunnen. Je moet vaker naar de kapper, want het is zoals de vriendin altijd tegen me zegt, terwijl haar handen een bal beschrijven: ‘Alle energie in je hoofd gaat in die laatste sprietjes zitten.’
En ouder worden? Ach, de bus kwam, ik stapte in. Het is goed, dacht ik, dat de campagne wordt hervat.
maandag 17 mei
Verhaal
Met grote passen stapte Jack de Vries vrijdagmiddag de werkkamer van Balkenende in. Op een krantenfoto had die juist een snorretje onder de neus van Ruben getekend. Ruben, Jack. Jack, Ruben – wanneer ging het nu eindelijk weer eens over hem?
‘Het kwam niet uit de PvdA,’ zei Jack. ‘Die vinden lekken eng. Hebben ze een te rooskleurig zelfbeeld voor. Het kwam uit het CDA. Ze zijn boos omdat ik je al die jaren van hen heb afgeschermd. Een of andere kutkatholiek heeft RTL Boulevard gebeld.’
‘Ik heb een verhaal nodig, Jack,’ zei Jan Peter. Even vroeg hij zich af waarom mensen zichzelf altijd kwijt zijn op de momenten dat zij zichzelf het hardste nodig hebben. ‘Dit is geen verhaal. Het doet er niet toe hoe het naar buiten kwam.’
‘Jij hebt nooit een verhaal gehad, Jan Peter. Ik heb je verhalen gegeven, ik heb een verhaal van jou gemaakt. Zonder mij was je niets geweest, en nu’ – Jack begon te priemen – ‘nu reken ik op jou.’
‘Jij hebt altijd op mij kunnen rekenen,’ zei Jan Peter. ‘Ik heb je alles gegeven. Een baan in de regering, geld, macht, aanzien, een adjudante.’
‘Ik kan tegen je spinnen. Ik kan een boek schrijven. Net als Campbell over Blair. De Jan Peter-jaren. Ik kan een je een plek in de geschiedenis geven waar een worm zich nog voor zou schamen.’
Balkenende haalde adem. Als de dreigementen kwamen, was de grootste dreiging voorbij. ‘Je kunt gewoon blijven werken. Declareer maar bij het partijbureau. Twintig, dertig per maand – iedereen heeft zijn kosten. Je bent nog jong, Jack, de mensen hebben geen geheugen.’
‘Ik wil,’ zei Jack.
‘Ik ook,’ zei Jan Peter, ‘misschien nog wel meer dan jij.
‘Ja,’ zei Jack, ‘ja.’
‘O,’ zei Jan Peter, ‘nog één ding.’ Hij wilde de sleutel van de kazerne terugvragen. Zo ging dat. Wie zijn positie verliest, verliest zijn bescherming. Nu het erop aankwam, bleek het gemakkelijker Hirsi Ali een briefje te sturen dan Jack persoonlijk een sleutel terug te vragen. ‘Schrijf die brief nu maar, Jack,’ zei hij.
vrijdag 14 mei
Schadenfreude
Onderweg naar de Frederikkazerne, waar staatssecretaris Jack de Vries zijn nachten doorbrengt sinds hij door zijn vrouw uit huis is gezet omdat hij het met zijn adjudante heeft aangelegd – zijn secretaresse dus eigenlijk – bedacht ik me dat Duitsers een vrolijker term hebben voor hetgeen ik ervoer dan wij: lichter, minder moralistisch. Wij zeggen ‘leedvermaak’. De Duitsers: Schadenfreude.
Freude: het politieke spelletje op de soepele benen, de hoogmoed met de wijkende oortjes, de man die plechtig doceerde dat je verkiezingscampagnes niet kunt winnen, alleen verliezen, en dat je daarom altijd de nul moet houden, staat met tien-nul achter.
Ik had verwacht dat de Frederikkazerne een geblokt gebouw zou zijn, met vierkante raampjes, vol kleine kamers met britsen en ‘Geschikt/Ongeschikt’-posters aan de kale muren, maar lijkt nog het meest op een kantorencomplex uit de jaren tachtig. Aan de omheining wachtten volgens bordjes gevaarlijke honden, dus wie ‘s nachts uit de kroeg eens hartelijk aan de hekken wil gaan staan lachen, trekt beter oude kleren aan.
Waarom is hij nog niet afgetreden? De Vries moet weten dat er geen kabinetspost meer voor hem inzit. Hij strijdt toch niet voor een Kamerlidmaatschapje? Daar kun je geen twee huizen van betalen, en de alimentatie.
De toekomst van Jack de Vries heet consultancy. Met een aktetasje oude trucjes langs de kantoorgebouwen. Zijn liefje zal hij ook wel kwijtraken. Een smeerlap die kan dwingen is misschien opwindend. Van een vragende partij wordt niemand geil.
De man die er genoegen in schept de groep uiteen te spelen, is het speeltje van de groep geworden. De schildpad is zijn huisje kwijt. Daar ligt hij, naakt op de tegels. Nog even luistert de groep naar de kledderige geluidjes die de naakte ledematen op de plavuizen maken, het gejammer om genade. Dan gaat de brandslang erop.
Hero
Hero Brinkman (PVV) had al enige emotionele uren fractieberaad achter de rug en honderd journalisten te woord gestaan, maar was nog opvallend fris en vrolijk – trots is misschien een beter woord – toen hij gistermiddag opeens voor me stond.
‘Goed gedaan,’ zei ik. ‘Stoer, gedurfd.’ Ik doelde op zijn pleidooi voor een democratischer PVV in Pauw&Witteman, dat allerwegen als muiterij tegen Wilders was uitgelegd.
‘Ja,’ zei hij, ‘ben je een beetje trots op me?’ Hierna sloeg hij zijn armen over elkaar, en bracht zijn oor wat naar voren. Het werd me duidelijk dat ik met een zinnige analyse moest komen.
Dat viel nog niet mee. Je had mensen die in zijn optreden de hand van de geheime dienst hadden gezien, of een opzetje met Wilders, zelf had ik hooguit een man gezien die zichzelf op inventieve wijze van een zijspoor had geholpen.
Er kwamen journalisten vragen hoe het nu toch zat met die jongerenafdeling die Hero nu van Wilders op mocht zetten, wat jammer was, want nu was de ouwe-jongens-sfeer verdwenen. Inhoudelijke vragen hebben een prima imago, ik heb er zelden goede ervaringen mee.
Het intermezzo gaf me wel de kans even inwendig mee te leven met Jack de Vries. Als gezinspoliticus moet je eigenlijk voorkomen dat je door je vrouw uit huis wordt gezet omdat je het met een ondergeschikte adjudante hebt aangelegd. Dat was niet gelukt. Van de andere kant: als de hele dag adjudantes in adjudantenpakjes rond mijn bureau drentelden, zou ik vermoedelijk ook niet instaan voor mezelf. Door de week zou het misschien nog wel gaan. Maar zondags niet.
Hero kwam terug uit zijn inhoudelijk gesprek. Ik vroeg: ‘Heb je heel erg op je flikker gehad?’ ‘Ja,’ zei hij. ‘Ik heb heel verschrikkelijk op mijn flikker gehad.’ Hij keek erbij alsof hij wilde zeggen: dat moest ook maar even zo zijn.
‘Nou,’ zei ik. ‘Je hebt het heel goed gedaan.’ Ik meende wat ik zei, maar dacht er wel meteen achteraan: wat precies? Wat heeft hij gedaan? Daar kwam ik dus niet uit.
Schielijk rondje
Het was al met al een schielijk rondje dat Geert Wilders met zijn kandidaat-Kamerleden zaterdagmiddag bij wijze van campagneaftrap door Groningen kwam doen, dat voerde door de Folkingestraat, achter de kermis op de Vismarkt langs naar de Herestraat en het Gedempte Zuiderdiep. De boel ging met krankzinnig veel beveiliging gepaard.
Voor Wilders aan fietsten een stuk of acht agenten de Herestraat leeg, de Groningse versie van de Kalverstraat. Daarachter liep Wilders, omringd door zes of zeven bewapende en hooggetrainde beveiligers van de KLPD, met oortjes en kogelwerende vesten.
Daaromheen een ring van een stuk of dertig agenten. Zodra iemand naar Wilders toekwam – ‘Mijnheer Wilders, ik wil toch eens met u praten.’ – zorgden zij ervoor dat die efficiënt werden weggevoerd. Uit verschillende zijstraatjes vielen daarop ijle en pientere stemmetjes te horen: ‘Ik betaal belasting. Ik heb vrijheid van meningsuiting.’
Er waren ook genoeg beveiligers met een wat lager profiel, gekleed als fatsoenlijke burgers. Zij droegen uzi’s in rugzakken, en kogelwerende schermen, als tas vermomd. Daarnaast liepen hier en daar, opvallend onopvallend, beveiligers die als demonstranten waren verkleed. Zij waren te herkennen aan de gloednieuwe dumpkleding en de overdreven stoere wijze waarop zij uit blikjes dronken.
De Groningers reageerden over het algemeen nogal onverschillig op Wilders en zijn kandidaat-kamerleden. Zij werden niet warm en ook niet koud. Een enkele winkelier kwam even op de drempel staan, de handen in de zij. Veel Groningers weigerden flyers. Politieke praatjes beschouwden zij als politieke praatjes.
Er waren wel enkele fans, dat moet ook eerlijk worden toegegeven. Een man met drie rijen tanden zwaaide vrolijk met twee Nederlandse vlaggetjes. Toen een vrouw Wilders een klein bosje bloemen aanbood, werd zijn hart warm: ‘Mevrouw toch, laat mij u zoenen.’
Aan het einde van de Herestraat stond een bus voor de kandidaten. Op het afgezette Zuiderdiep wachtten drie zwaarbeveiligde Mercedessen; naar verluidt met wapens afgeladen. Wilders lachte nog wat, zwaaide nog even, en stapte toen in. De stoet reed naar Leeuwaren, om daar de boodschap verder uit te dragen, of wat daar dan van terecht kon komen.
maandag 10 mei
Jarig
Toen Job Cohen vrijdagochtend een Haags kantoorgebouw betrad, arriveerde hij niet alleen op de plek waar de Stemwijzer gelanceerd zou worden, maar eigenlijk vooral op een feestje van Jan Peter Balkenende.
Even tevoren was Balkenende er door een handenwrijvende Stemwijzer-directeur ontvangen – ‘Gefeliciteerd met uw verjaardag!’ – en onder een opgewekt ‘Lang zal hij leven’ naar een tafel met een grote slagroomtaart geleid.
Balkenende begreep dat dit zijn kans was de bijeenkomst naar zijn hand te zetten, greep een mes, sneed de taart in stukjes en – ‘Waar zijn de vorkjes?’ – deelde die uit aan iedereen die zo stom was om bij hem in de buurt te blijven staan.
(Zelf schoot ik weg en bracht mezelf vliegensvlug in veiligheid, waarop enkele verslaggevers bezorgd naar me toe kwamen: ‘Wat gebeurde daar? Wilde hij jou geen gebakje geven?’)
Toen Cohen even later binnen kwam lopen – nog niet helemaal wakker – duurde het geen twee seconden of Balkenende duwde hem een gebakje in handen: ‘Wat ontzettend leuk, Job, dat je mijn verjaardag mee komt vieren!’
Wat blijft er over van een leider als wij hem een gebakje in handen duwen? Hoe komt een leider van zo’n gebakje af? Meteen wegzetten of opeten, was onbeleefd. Er restte hem weinig anders dan zijn verlies te nemen en enigszins bedremmeld naar de traktatie in zijn handen te blijven kijken.
Er werden Stemwijzers ingevuld, er werd nog wat nagepraat, eigenlijk was de bijeenkomst al ten einde gekomen toen we Job Cohen in een hoekje zagen, de rug naar het gezelschap gekeerd. Hij hield zijn schoteltje op kinhoogte voor zijn gezicht, en werkte het gebakje in enkele bewonderenswaardig snelle bewegingen naar binnen.
Hierna gingen de heren uiteen. Job Cohen toog naar Heerlen, waar hij die avond de Thijs Wöltgens-lezing zou houden, Balkenende moest naar Brussel voor een spoedoverleg over de teloorgang van de euro.
Op de televisie was ’s nachts te zien hoe de Europese leiders het crisisberaad met zorgelijke gezichten verlieten, en hoe Balkenende in een auto stapte met verjaardagsvlaggetjes aan de binnenzijde van de ramen.
vrijdag 7 mei
Reces
Het is reces, vakantie. In de laatste dagen voor wat ons wordt voorgespiegeld als een ‘harde, vuile campagne’ betrekt André Rouvoet een vakantiehuisje op het Zeeuwse platteland. Het gezin bezoekt het Watersnoodmuseum – ‘Mooi opgezet, leerzaam.’ – als Rouvoet vlak na elkaar twee Twitter-berichten leest.
Het eerste komt van Femke Halsema: ‘Heel langzaam aan het bekomen van Boom Chigaco (leuk!) en mijn Balkenende-imitatie (incl. pruik, bril, jasje.) Jaja.’ Het tweede is van Andries Knevel: ‘Vanavond Bos in Moraalridders!’
Aan Knevel schrijft Rouvoet: ‘Nog suggesties nodig voor een paar goede vragen?’ Aan Halsema: ‘Die imitatie wil ik een keer zien, Femke! Kun je hem niet een keer op tv doen?’
‘Vooruit,’ antwoordt Knevel. ‘Geef eens drie vragen voor Bos.’ En Halsema, een beetje meisjesachtig: ‘Alleen als jij mij imiteert.’
‘Check your mobile phone,’ schrijft Rouvoet aan Knevel, wat jammer is, want nu kunnen we niet meer meelezen. Aan Halsema: ‘Ik begin meteen met oefenen! Ik heb je gezichtsuitdrukkingen voldoende kunnen bestuderen!’
Van Knevel horen we niets meer. De energie is uit de conversatie gelopen, maar Rouvoet en Halsema kunnen nog geen afscheid nemen van het onderwerp: ‘Het wordt een hit!’ ‘Ik moet tv-zenders van het lijf houden!’
Gelukkig mengt zich Thijs van den Brink in de discussie. ‘Ik zit zonder televisie. Als ik iets mis, hoor ik het wel, hè? ‘Nou,’ antwoordt Rouvoet. ‘Je mist Bart Chabot over ChristenUnie bij P&W.’
Van den Brink zucht: ‘Mooi onderwerp om over te dromen. Chabot en CU – rustgevende combinatie.’ Halsema: ‘Is er CSI op televisie? Ah, Cold Case. Dag!’ Aan Van den Brink schrijft Rouvoet: ‘Ik beluister toch geen cynisme?’
‘Goed gehoord,’ zegt Van den Brink. ‘Chabot is een mooie kerel, maar politiek analyseren was toch een vak?’
Dit is een vraag, maar Rouvoet antwoordt niet. Het is reces, vakantie. In de laatste dagen voor wat ons wordt voorgespiegeld als een ‘harde, vuile campagne’ betrekt André Rouvoet een vakantiehuisje op het Zeeuwse platteland: ‘Ik geniet van een meditatief moment met de dalende zon boven het blauwe water. Geen mens in zicht. En ik ervaar vrijheid…’
donderdag 6 mei
Held
Het kan niet lang meer duren voordat we via de televisie worden voorgesteld aan een nieuwe Nederlandse held. Een man van de bereden politie in Amsterdam.
Tijdens Dodenherdenking op de Dam begon een man te schreeuwen, hekken vielen om, iemand liet van schrik zijn koffer vallen, iemand anders riep: ‘Bom, bom, vlucht!’, waarna de massa in paniek raakte, met alle schaafwonden en onder de voet gelopen kinderen van dien.
Het was op dat moment dat onze nieuwe held zich naar de bomkoffer spoedde, de koffer oppakte en ermee van de massa op de Dam wegreed, het Rokin op.
We weten nog niet hoe alles in zijn werk is gegaan, maar als wij ons bioscopig voorstellingsvermogen gebruiken, zien we een man die pas bij werkelijk gevaar tot leven komt. Hij geeft zijn paard de sporen, haalt in galop de koffer van de stoep, brengt het ding met gevaar voor eigen leven op veilige afstand van de menigte.
We moeten wel eerlijk zeggen dat zo’n heldenactie in een landelijke omgeving beter tot zijn recht komt dan in de stad. Was dit vorige week in Wemeldinge gebeurd, waar men Koninginnedag vierde: onze held had met zijn bomkoffer de landerijen in kunnen galopperen en aan de einder met zijn trouwe viervoeter tot ontploffing kunnen komen; eventueel tegen de achtergrond van een ondergaande zon.
Ik bedoel: ik weet niet of je de Nieuwe Nederlandse held ook een Nieuwe Nederlandse held noemt als je op het Rokin net even je veters stond te strikken.
Ik kan niet wachten tot de held op televisie komt. Altijd als iets ergs is gebeurd, hoor je mensen hardop hopen dat de dader geen Marokkaan is. Hopen zij nu op een Marokkaan?
Wat aardig zou zijn: de nieuwe held blijkt een buikige vijftiger. Iemand van wie buurtgenoten er nu pas achterkomen dat hij al decennia in stilte de boekhouding van de speeltuinvereniging voert. Van wie collega’s altijd zeiden: hij is nooit te beroerd een snipperdag op te nemen. Zo iemand met wie heel het volk zich oeverloos kan identificeren.
dinsdag 4 mei
Winnaars
Op een middag zag ik spindoctor en staatssecretaris Jack de Vries op sportieve wijze een congreshal uitlopen. Hij zette zijn stappen iets lager in dan gebruikelijk, en gaf zichzelf bij het afwikkelen van de voeten telkens een opwaarts zetje mee. In verhevigde vorm zie je dit loopje wel bij jongemannen die van hiphop houden.
Hij stak de straat over om in de zon een sigaret te roken, wat vreemd was, want ik dacht altijd dat De Vries een man van stormbanen was, van het lichaam is een tempel.
Ook Balkenende kwam naar buiten. Hij liet zijn echtgenote even bij de dienstauto wachten om een praatje te maken met de man met wie hij al enige verkiezingen had gewonnen. De Vries begon druk te praten, verplaatste zijn gewicht doorlopend van het ene naar het andere been, tipte de as vaker van de sigaret dan noodzakelijk was.
Ik kon niet horen wat hij zei, ik moest het doen met mijn vermoedens. Het gaat niet goed met de campagne, zei hij, het gaat fout. VVD en PvdA willen er een tweestrijd van maken, de media gaan er klakkeloos in mee, de kiezers trappen erin – we moeten iets doen, en snel ook, anders is de zaak voorgoed verloren.
Balkenende luisterde dit alles ontspannen aan. Handen in de zakken, jaspandflapjes tussen pols en heup, buik naar voren, kin op de borst. Dus misschien, dacht ik, had De Vries helemaal zijn zorgen niet tegenover Balkenende geuit, maar hem alvast een staalkaart campagnetrucs geopend, hem laten zien met welke trucs het CDA het initiatief gemakkelijk terug kon veroveren.
Ik zou niet graag de tegenstander van het CDA in een verkiezingscampagne zijn. Je weet zeker dat er een aanval komt, je weet alleen nog niet wanneer. Je weet zeker dat de aanval pijn gaat doen, je weet alleen nog niet hoeveel.
De heren gingen uiteen. De Vries rookte nog wat, met een geamuseerde glimlach stapte Balkenende naar de dienstauto. Hier liep een man die zeker wist dat hij de verkiezingen ging winnen. En niet zo’n klein beetje ook.
maandag 3 mei
Opdracht
In de voormalige Lichtfabriek van Haarlem kwam de PvdA zaterdagmiddag bijeen voor een feestelijke campagneaftrap. Tussen de toespraken en het zingen van liedjes door werd in zaaltjes over thema’s gediscussieerd. Ik raakte verzeild in de Energiezaal. Het thema daar was: ‘Prettig samenleven – wat is dat nou precies?’
Een presentator ging met een microfoon langs de leden in het zaaltje, trok uit alle opvattingen een algemene conclusie – ‘Prettig samenleven is als je het prettig vindt om dingen samen te doen.’ – en liet Nebahat Albayrak daar vanaf een podium op reageren; de glanzende nummer twee van de PvdA-kandidatenlijst.
‘Ja, als je niet mee wilt doen,’ zei Albayrak, ‘dat je daar dan ook op aangesproken wordt.’
Zo kwam de PvdA-aap alweer vroeg uit de mouw. Iedereen telt mee, zeggen ze – zo luidt althans de verkiezingsslogan. Dat klinkt gratis, maar is het niet: er hoort verplichting bij, een opdracht, zoals ze het zelf noemen. Met meetellen bedoelen ze eigenlijk meedoen. Iedereen doet mee. Iedereen moet meedoen met prettig samenleven. Jij ook. Of je het leuk vindt of niet.
‘Als we nu eens zouden beginnen met de mensen te verplichten tot naambordjes op de deur,’ zei Albayrak. Ze duwde duim en wijsvinger tegen elkaar, en stak de hand op borsthoogte een eindje voor zich uit: ‘Dat je ook weet wie daar woont. Dat je bewoners dan ook verantwoordelijk maakt voor wat er in de buurt gebeurt.’
Bestaat er ook een recht op anonimiteit, verveling, eenzaamheid, maatschappelijke en persoonlijke vervreemding? Mag je haten, verafschuwen, in stil chagrijn je leven vergallen als je daar zin in hebt? Mag je spelbreker zijn – tegen de buurtbuurman zeggen: als je mij zonodig mee wilt tellen, doe dat dan maar fijn een straatje verderop?
PvdA-voorzitter Ploumen besloot haar toespraak met iets wat ze een opdracht noemde, maar na het voorgaande klonk als een bedreiging: ‘Wij gaan de komende weken met ons verhaal door het hele land van deur tot deur!’
Het naambordje van de deur halen is niet voldoende, de deurbel moet ook nog op tijd onklaar gemaakt – ook een soort opdracht.
Navolgen
Nu allerlei schrijvers zich in allerlei kranten op de politiek en de verkiezingscampagne hebben gestort, word ik weleens gevraagd of ik het vervelend vind te worden nagevolgd.
Tot ik aan Frans Netscher moest denken, wist ik niet goed wat ik met die vraag aan moest. De gedachte dat andermans bezigheden iets met jou te maken hebben, berust meestal op een misverstand. Voor je het weet beschuldig je iemand van plagiaat die nog nooit van jou of je werk heeft gehoord.
Netscher was een schrijver en een tragische figuur – die dingen gaan wel vaker samen. In de tweede helft van de negentiende eeuw raakte hij onder de invloed van het naturalisme, de stroming waarvan de aanhangers vonden dat de werkelijkheid natuurgetrouw moest worden uitgebeeld.
Netscher reisde naar Frankrijk, correspondeerde met Zola, schreef naturalistische verhalen in Nederlandse tijdschriften. Hij begon zich net een beetje lekker te voelen als de grondlegger van het naturalisme in Nederland toen de schrijver Lodewijk van Deyssel op zijn pad verscheen. Van Deyssel wilde ook de grondlegger zijn.
Over de strijd die hierover tussen de schrijvers volgde, kunnen we zeggen dat Netscher weinig kansen heeft gehad. Van Deyssel was machtiger, venijniger. Hij werkte Netscher uit redacties, weerde diens verhalen, en gaf hem in de bundel Over literatuur de genadeklap: ‘Emile Zola is de kip die achter de Hollandsche duinen het ei Netscher heeft gelegd’. In de juiste kringen is om deze regel vaak gelachen.
Gedesillusioneerd toog Netscher naar Den Haag, om in dagblad Het Vaderland kleine verhaaltjes te publiceren, waarin hij Kamerleden nauwgezet beschreef: ‘Stelt u zich een vrij forsch lichaam voor, dat netjes, met kleine, schuins-uite pasjes dribbelt, een beetje geaffecteerd keurigjes, als bang om zich te stooten.’
Mensen die politici proberen te beschrijven, kunnen denken dat zij een ei hebben uitgevonden, maar zijn eigenlijk de kinderen van Frans Netscher. Al is het dan misschien een soms wat wankel genre – de arme Netscher heeft tenminste iets geïntroduceerd.
woensdag 28 april
Het diner
Omdat ik iets te vieren had – mijn nieuwe boek ligt in de winkel – ging ik niet naar de PVV-bijeenkomst in Rotterdam, bleef ik niet thuis om naar Cohen in Nova te kijken, maar ging ik naar het restaurant waar ik op een vroege ochtend eens een man geconcentreerd een enkel mandje oesters uit Bretagne naar binnen had zien dragen.
De gastheer deed denken aan de gerant uit de roman Het Diner van Herman Koch toen hij mij in zich opnam, zijn pink langs een briefje denkbeeldige reserveringen liet glijden en zei dat zich verderop nog een eetcafé bevond.
In andere landen moet je voor goeie restaurants in de buurt van parlementen zijn, hier dient men zich daar juist van te verwijderen. Ik had geluk: in de buurt van het werkpaleis van Beatrix stapte ik even later Le Haricot Vert binnen; restaurant met specifieke naam.
Ik was aan de rode poon toen Wilders in Rotterdam de campagne opende: ‘Op negen juni mag u uw bestelling plaatsen in de kantine van de democratie. U kunt zelf beslissen of u een broodje met of zonder ruggengraat wilt.’
Op het moment dat er kaas en rode wijn op tafel kwam, zat Job Cohen in Nova op een stoel alsof hij ergens heel erg van was geschrokken. Zo bleef hij ook zitten, verschrikt, verkrampt, onbeweeglijk in zichzelf geparkeerd. Als er een vraag kwam, schoten zijn ogen even angstig op en neer, alsof hij inwendig op zoek was naar de pasklare antwoorden die zijn assistenten daar voor hem hadden klaargelegd.
Mochten tegenstanders zich hebben afgevraagd hoe ze die kalme Cohen straks op cruciale momenten in de campagne toch uit het eeuwig evenwicht moeten brengen, zullen zij na Nova opgelucht hebben vastgesteld dat alles nog lang niet verloren is.
Bij het afrekenen vroeg de serveerster of ik niet toevallig heette zoals ik heet. Ik weet niet hoe u reageert als u niet onopgemerkt bent gebleven; mij gaf het net dat beetje moed om op de terugweg even opgewekt naar de gerant in zijn lege restaurant te zwaaien.
dinsdag 27 april
Teleprompter
Na een weekend van politieke congressen, commentaren op televisie en genoeg nabeschouwingen in de maandagkranten – wat blijft dan nog voor ons over om hier te bespreken? Welk onbenullig madeliefje staat dan nog overeind in het vertrapte gras?
De ‘teleprompter’ bestaat uit twee glazen plaatjes, die links en rechts op ooghoogte van sprekers worden opgesteld, en waarop de tekst wordt geprojecteerd, zodat mensen tijdens hun voordrachten de zaal in zullen kijken, en niet de hele tijd op hun papieren.
Obama gebruikte de teleprompter tijdens zijn campagne met succes, en nu gebruiken Nederlandse politici hem ook. Het blijft wel een beetje apart om te moeten zien hoe klakkeloos Obama wordt gekopieerd. ‘Het kan,’ zeggen de SP-posters. ‘Anders. Ja,’ de posters van D66. Vrijdag presenteerde Wilders ‘een agenda van hoop en optimisme’.
Helemaal vlekkeloos verloopt de introductie van de teleprompter nog niet. Zaterdag stonden de plaatjes te ver van Balkenende af, zodat hij de hele tijd van die onhandig verre blikken kon werpen. Het was een verbetering ten opzichte van de laatste keer, toen ze zo dichtbij stonden dat het leek alsof Balkenende naar een driftig tenniswedstrijdje stond te kijken.
Cohen stond zondag helemaal aan de linkerkant van zijn podium. Als hij naar rechts keek, zag hij door het glazen plaatje de mensen in de zaal. Keek hij naar links, sprak hij via zijn plaatje tegen een witte muur.
Dit kan een ongelukje zijn geweest, maar ook gerust strategie. Hoe breder de kandidaat kijkt, des te groter televisiekijkers de zaal inschatten, de toegestroomde massa’s. Het neveneffect hiervan is dat zalen irrelevanter worden – in de zaal, achter de camera’s, heeft in deze campagne haast niemand meer iets te zoeken.
Aan het einde van de presentatie van de PvdA-kieslijst nodigde Cohen alle kandidaten bij hem op het podium uit. Toen iedereen stond – het paste ternauwernood – riep Cohen: ‘Dit is Nederland!’ Een warm en hartstochtelijk applaus was hierna op zijn plaats geweest, maar in de zaal, achter de camera’s, stond eigenlijk niemand meer; alleen wat ongemakkelijke journalisten. Toen hebben de kandidaten zelf maar voor een applaus gezorgd.
maandag 26 april
Hatelijke nul
Twee keer eerder was de kiezersgunst zo lenig als nu bij ons, en konden de virtuele zetels per week met tien of twintig tegelijk verschuiven over de partijen: Italië in de jaren negentig, en Duitsland tijdens de Weimar-republiek; het breekbaar democratietje waarin socialisten de boel tussen de wereldoorlogen bij elkaar probeerden te houden.
Nu weet ik niet wat er in Italië is voorgevallen, maar de Weimar-republiek komt vaak voorbij. Intellectuelen maken er gebruik van als zij op het gevaar van Wilders willen wijzen, zonder te kunnen worden betrapt onsmakelijke elementen als ‘Hitler’ en ‘nazisme’ in de vergelijking te hebben betrokken.
Als je Nederland met de Weimarrepubliek wilt vergelijken, moet je trouwens wel bereid zijn de huidige angst om twee jaar langer te moeten doorwerken, onder het kopje ‘economische onzekerheid’ gelijk te stellen aan het feit dat Duitsers soms 290 miljard Mark voor een brood moesten betalen. En revolutie en oorlog buiten beschouwing laten.
Voor Rita Verdonk pakt de lenigheid van de kiezersgunst het meest wreed uit. Twee jaar geleden stond zij op dertig zetels en gaf ze een oprichtingsfeest met bekende artiesten, champagne en juichende massa’s. Nu staat zij op nul zetels en presenteerde zij haar kandidatenlijst in een kantoor op de eerste verdieping van een garage met permanente occasionshow.
Naast Rita stonden negen mannen onder een laag plafond. ‘De mannen die het gingen doen’, wekten de indruk dat vrij laat was besloten dat iedereen in pak diende te verschijnen. In de gauwigheid moest het een en ander worden versteld en geruild, maar nu zagen zij er presentabel uit.
Onderweg naar huis gingen de gedachten naar Verdonk op de dag na de verkiezingen. Wat ging ze doen? Wat had zij gedaan? Had iemand nog een baan voor haar? Durfde zij van zoiets als wachtgeld te profiteren?
Gelukkig beseften we al snel dat Verdonk er helemaal niet de brui aan zou geven. De kantoren werden droeviger, de kandidaten knoestiger, maar Rita bleef Rita – die krabbelde op en ging er weer voor, met of zonder hatelijke nul op het scorebord.
vrijdag 23 april
Boevenvanger
Het Kamerlid Fred Teeven (VVD) laat geen kans onbenut zich als boevenvanger te afficheren. In vroeger jaren was hij ‘een echte boevenvanger’. In de Tweede Kamer roept hij regelmatig uit: ‘Laten we toch boeven vangen!’ Als hij geen minister kan worden, gaat hij ‘net zo lief weer boeven vangen’.
Dinsdag nam Teeven deel aan een onderwijsdebat. Jan Kees de Jager (CDA) was aan het woord toen een jongeman hem een ei op het hoofd kapot sloeg en daarna voor Teeven langs de zaal probeerde te ontvluchten.
Een kolfje naar de hand van de boevenvanger, zou je denken. En voor mij een uitgelezen kans eens te zien hoe een mens zich in dergelijke gevallen dient te gedragen – er staan beelden van het incident op CampusTV.nl.
Zelf ben ik namelijk helemaal niet moedig. Ik vind boeven eng. De laatste kans die het leven mij bood heldhaftig op te treden, was de dag dat een bejaarde dame zich voor mijn ogen verstapte en langzaam als alleen bejaarden kunnen, zo helemaal zonder valreflex, voorover met haar kin op een stoeprand viel.
Geschrokken probeerde ik haar overeind te trekken. Al snel bedacht ik dat je mensen met breuken moet laten liggen tot de hulpdiensten zijn gearriveerd. Ik begon te twijfelen, raakte met mezelf in discussie, zodat de dame veel langer op straat heeft liggen bloeden dan achteraf gezien noodzakelijk was.
Teeven deed niets. Hij stond erbij en keek ernaar. Presentator Jort Kelder greep de dader bij zijn jas en riep de beveiliging. Teeven wachtte tot de dader was afgevoerd, raapte diens studentenpasje van de grond, en maakte toen op schrille toon tot drie maal toe diens identiteit bekend: ‘Het is die en die! Onthoud die naam! Het is die en die!’
Hoeveel hanen horen wij nu kraaien als wij de verklaring lezen die de boevenvanger aan De Telegraaf moet hebben gegeven: ‘Direct na het incident trok Teeven de dader aan zijn jasje.’
Als student luisterde ik graag naar het lied ‘I lied about being the outdoor type’ van Evan Dando, bekend van het album ‘Baby, I’m bored’.
donderdag 22 april
Zere lijst
Tijdens de presentatie van de PvdA-kandidatenlijst kwam Mei Li Vos van grote afstand op me toegelopen. Ze stond opvallend laag op de lijst. Plaats 38. Zo kwam ze niet opnieuw in de Kamer natuurlijk, wat vreemd was, want zij is jong, vrouw en bekend.
Ik had het al tegen enkele Kamerleden gezegd: Wat staat Mei Li ja laag. ‘Ja,’ hadden ze geantwoord. ‘Ja, tja.’ Er viel veel over te zeggen, maar van hen zouden we niet horen wat.
Mei Li liep naar de uitgang. Wat ging ze doen? Roken. Alleen? Nee, ik mocht mee. Even later zaten we op de rand van een bloembak voor de voormalige Cabellerofabriek op het Haagse industrieterrein De Brinckhorst.
Wat sta je laag, zei ik. Mei Li liet haar ellebogen zien. ‘Ik zit niet in de groepjes,’ zei ze. ‘Heb ik ook geen moeite voor gedaan.’ Het feit dat ze uit Amsterdam kwam, had ook niet gunstig voor haar uitgepakt.
Er is geen partij waar je op zoveel verschillende manieren buiten de boot kunt vallen als de PvdA. Alle mensensoorten moeten gelijkelijk op de lijst vertegenwoordigd zijn. Man en vrouw moeten afgewisseld, zwart en wit, oud en nieuw, stad en regio, homo en hetero.
Het voordeel is dat kandidaten zichzelf kunnen wijsmaken dat het niet aan hen ligt dat ze op een onverkiesbare plaats zijn gezet, maar aan hun kleur, leeftijd of woonplaats. Ze moeten dit dan wel zelf geloven, en dat lukt niet iedereen. Vanaf plaats 33 ongeveer begint de lijst de kandidaten behoorlijk zeer te doen.
Paul Kalma bijvoorbeeld, die een keer niet netjes met de fractie had meegestemd, stond op plaats 41, en moest niet vrolijk zijn. Of Chantal Gill’ard, plaats 54, van wie ik lees dat zij ernstig ziek is geweest.
Over Mei Li Vos hoefden we ons geen enkele zorgen te maken. Als de partij bewindslieden moest leveren, schoof ze vanzelf door en kwam ze in de Kamer. En anders was het nog niet erg. De zon scheen. Ook buiten de Kamer was een boel de moeite waard.
woensdag 21 april
Entree
Ik omschreef Emile Roemer als een oom die een Snickers vanachter je oren vandaan kan toveren, Roemer niette een Snickers aan een koffie-uitnodiging aan mij, ik raakte de Snickers kwijt en mailde deels uit schuldgevoel dat ik op zijn uitnodiging wilde ingaan, en nu had de keten van gebeurtenissen ons in zijn kamer samengebracht.
De nieuwe SP-leider had een normale kamer. Niet groot, niet klein. Er stond een bureau en een tafel. Ook aan Roemer zelf was weinig waaraan de ogen bleven haken.
Ik had al gevraagd hoe hij zijn werk vond – ‘Spannend, maar leuk.’ – of hij niet bang was voor blunders tijdens televisiedebatten – ‘Als je bang bent, moet je er niet aan beginnen.’ – en hoe het nu toch met Agnes was – ‘Tja, een persoonlijk drama.’ – toen tot me doordrong dat ik de enige was die vragen stelde.
Nu is niemand verplicht mij interessant te vinden, het kan wel helpen een gesprek op gang te houden. Ik bracht de Snickers in herinnering, we lachten hard en ongemakkelijk, en vertelde toen dat ik niet gewend was bij politici op de koffie te gaan.
‘Ik nodig alle journalisten uit,’ wuifde Roemer, ‘dan kennen we elkaar alvast een beetje.’ Aha, dacht ik, aha! Er was helemaal geen keten van gebeurtenissen, er was een keten van journalisten. Hij liet ze allemaal komen, maakte aan iedereen een voorbeeldige entree.
In mijn nieuwe rol als ketenjournalist zei ik nog dat ik de SP een beetje granieterig vond. Er volgde een gesprek waarin opvallend vaak het woord ‘granieterig’ viel – ‘Granieterig, wat bedoel je daar precies mee?’ ‘Ja, granieterig, wat kun je daar allemaal mee bedoelen?’ – dat erop werd afgemaakt dat Roemer de SP minder granieterig vond dan ik.
Enigszins teleurgesteld stond ik even later op de gang. Er kwam niet vaak een keten van gebeurtenissen voorbij, maar als hij dan eindelijk kwam, hoopte je dat hij je verder zou brengen; je wist niet waarheen. Van de andere kant was iets beter dan niets. Er waren er genoeg die het met minder moesten stellen. Zolang er sissers waren, was er hoop.
Veren
Ik heb een beetje ongemakkelijk gevoel overgehouden aan de bijeenkomst waarin Elsevier-redacteur Eric Vrijsen zijn nieuwe boek aan Balkenende aanbood. Nu houd ik wel vaker een ongemakkelijk gevoel aan bijeenkomsten over; misschien was het deze keer terecht.
Het boek, zei Vrijsen, sprak veel waardering voor Balkenende uit – ‘het beste verhaal komt toch uit het politieke midden’. Het haalde ook herinneringen op. Samen in een vliegtuig, samen in een luchtballon. Praten over de politiek. Als regelmatige bezoeker van het Catshuis wist Vrijsen: ‘Ze serveren er de lekkerste bamischijven van het hele land.’
Balkenende verscheen ons even later op de vrolijk-corporale wijze waarop we hem het minst graag zien. Kwinkslag, armbeweging, kwinkslag met armbeweging. Bij alles wat de aanschouwer van de eeuwige premier zich mag wensen, versleten is hij nog niet.
Vrijsen had pers en politiek beschreven als ‘een tango, die de geur van Den Haag bepaalde’. Dit vond Balkenende ronduit ‘onsmakelijk’. Hij noemde het boek ‘een feuilleton met soapachtige trekjes’. Ja: luisterend naar Balkenende vroeg je je af hoeveel veren je in iemands kont kunt steken voordat die er slordig mee om begint te springen.
Zelf vond ik het heel aardig om in het boek te lezen hoe het ook alweer zat met die zogenaamde martelprimeur van de Volkskrant, of met de toestanden die Harry van Bommel zich met zijn dronken avances in Jordanië op de hals had gehaald.
Bij elk brokje nieuwe informatie vraagt Vrijsen zich af wie daarmee wie probeert uit te schakelen. Hij zou dat uitschakelen ook eens tot zijn onderwerp kunnen maken. In hun drift om een geïnformeerde indruk achter te laten, legitimeren de deskundigen de minst fraaie praktijken.
Balkenende vertrok; achter het spreekgestoelte moesten zich enkele vertrapte veren bevinden. Voor Vrijsen hoopte ik dat de bijeenkomst zich op een abstracter en doortrapter niveau had afgespeeld dan ik had kunnen begrijpen. Hij had bijvoorbeeld gezegd: ‘Balkenende is al jaren het centrale punt in moeilijke tijden.’ Dit was als compliment bedoeld. Maar als kritiek werkte het ook. Met dezelfde woorden hebben ze mij althans tot twee keer toe van school gestuurd.e
vrijdag 16 april
Zolderkamer
Het zou overdreven zijn te stellen dat de jacht is geopend op Agnes Kant en Wouter Bos, maar veel journalisten zouden hen graag als eerste de vraag willen stellen: hoe gaat het nu met u?
Bij Kant is het vergeefs proberen, Bos wil graag. Als hij op televisie iets hoort waarmee hij het oneens is, probeert hij zich sms-gewijs in de line-up van dat programma te wringen. Voorlopig is het partijgenoten gelukt dergelijke optredens te verhinderen.
Het verschil is vermoedelijk te verklaren uit de redenen van vertrek. Kant zag het werk mislukken en vluchtte naar het huwelijk. Bos zag zijn huwelijk mislukken en ontvluchtte zijn werk.
Je kunt je afvragen hoe verstandig het is iemand te dwingen zijn werk op te geven, of je te laten dwingen. Je zit al snel op de bank. Gezellig hè? Ja, gezellig. Eindelijk hè? Ja, eindelijk.
Een keer zagen we Bos nog op televisie. Nova filmde hem terwijl hij in kostuum in een zolderkamer zat, die als kantoor was ingericht. Terwijl Bos de wereld buiten de zolder van alles de schuld probeerde te geven, hoorde ik ergens in het achterhoofd de stem zijn echtgenote: ‘Je kunt toch een beetje thuis werken als je je gezin zo onverdraaglijk vindt? We hebben toch nog een zolderkamer?’
Een man in werkkleding in een zolderkamer – als je het woord ‘politicus’ vervangt door ‘conducteur’ zie je beter dat het hier geen vrolijk beeld betreft.
Ik zou veel liever de partner van Kant zijn dan die van Bos. Bij Kant krijg je misschien groot verdriet in huis, maar langzaam zal het beter gaan. Bij Bos vermoed je een omgekeerde beweging. Die komt binnen met een glimlach, maar daarachter woekert al de frustratie. Je hoeft geen mensendokter te zijn om daarin de kiem van toekomstige ongelukken te zien.
Binnenkort houdt Bos het niet meer en laat hij in een televisieprogramma de frustratie de vrije loop. Geef hem voordien een functie, zou ik zeggen. Herstel hem in zijn waardigheid. Pak zijn telefoon af. Bevrijd hem uit het venijnig zolderkamertje.
donderdag 15 april
Binnenhof-light
Met de verkiezingen op komst wordt het Binnenhof bezocht door komieken, artiesten en verslaggevers van amuserende programma’s. Dinsdag zagen we Sophie en Filemon van BNN, Rutger van GeenStijl en enkele Jakhalzen. Politici zien deze ontwikkeling met lede ogen aan. Van Haersma Buma (CDA): ‘Het is hier toch geen speeltuin?!’
In een zorgelijk omslagverhaal in De Journalist – ‘Den Haag in wurggreep van Binnenhof-light’ – werd ik ook onder de nieuwe leuken geschaard, maar een kniesoor die daarop let. Ronald Giphart werd vergeten. Die ‘doet’ het Binnenhof voor de Volkskrant, en schrijft stukjes waarin hij beweert dat de PvdA een gemene partij is omdat zijn moeder eens moest huilen nadat iemand van die partij had gebeld.
Individueel is het nog wat onwennig, maar als hij Bart Chabot tegenkomt, die filmpjes maakt voor Pauw&Witteman, gaan de hoofden in de nek en roepen zij om beurten ‘Allemachtig!’ en ‘Ongelooflijk!’, en ben je, als je niet oppast, terug in het bootje waarin de studenten uit de eerste Giphart-roman de Dordogne bevoeren.
De klacht over lichte journalistiek bergt de suggestie in zich dat er ook zware journalistiek bestaat. In de discussies over eventuele bezuinigingen op de publieke omroep kun je ook vaak over ‘zware kwaliteitsjournalistiek’ horen spreken, ‘met diepgang’.
Als voorbeeld wordt meestal Tegenlicht (VPRO) opgevoerd, waarin de presentator inderdaad vaak zegt dat dingen moeilijk zijn, en deskundigen Engelse vaktermen gebruiken die voor leken onbegrijpelijk zijn. Wie dat kwaliteit noemt, gedraagt zich als de studenten uit een anekdote van Marjolein Februari. Die ervoeren filosofie als vaag gepraat, en gingen vaag praten om aan filosofie te doen.
Na de presentatie van het PvdA-verkiezingsprogramma werd Cohen door vragen van opeenvolgende journalisten langzaam maar zeker in het nauw gebracht. Het dreigde net spannend te worden toen Chabot opstond: ‘Houdt u meer van koffie of van thee?’ Chabot had de boel onschadelijk gemaakt, Cohen kon ontsnappen. Om dit kwalijk te vinden, moet je kunnen beweren dat het tot enkele weken geleden beter was, zwaarder, met diepgang. Maar op het Binnenhof was het eigenlijk altijd al leuk.
woensdag 14 april
Boterletter
Het voorjaar is begonnen, het Kamerlid Fred Teeven (VVD) bepaalt zich volgens een artikel in NRC Handelsblad onbekommerd tot zijn favoriete ‘krachtvoer’: ‘zuurkool met kleine worsten, grote worsten en speklappen’.
Vragen naar de herkomst van de kleine worsten, grote worsten en speklappen is vermoedelijk een snelle manier om aan Teeven een scheldwoord te ontlokken.
De verslaggever is met Teeven in Maastricht, waar het Kamerlid zal debatteren. Teeven blijkt bang dat er geen pers zal zijn, dat hij er als ‘Jan Boterletter’ bij zal zitten. Zijn vriendin belt om te vertellen hoeveel seconden hij bij RTL in beeld is geweest. Op basis van dergelijke seconden meent hij recht te kunnen doen gelden op een ministerschap. En op zijn herhaald pleidooi voor zwaardere kinderstraffen.
De verslaggever bezoekt Teeven ook thuis, een appartement in Amsterdam. Daar verklaart het Kamerlid dat hij nog nooit een boek heeft gelezen, dat ook nooit zal doen. Literatuur, weet hij, ‘is alleen geneuzel’.
Het is in dit verband misschien aardig te vermelden dat Teeven, gevraagd naar zijn opvatting over de vaste boekenprijs, de prijs waaronder boeken niet verkocht mogen worden, zijn televisieseconden eens gebruikte om te zeggen dat een vaste bekroning voor boeken hem goed leken voor de literatuur.
Iemand die geen boeken leest, is niet automatisch dom, maar laadt de verdenking op zich zodra hij er trots op is. Het is niet helemaal uitgesloten dat Teeven de lichte ontzetting is ontgaan, die uit de volgende regel uit NRC Handelsblad spreekt: ‘Teeven trakteert op dikke, zelfgekochte plakken cake, en spuit er slagroom op.’
Op de bijgevoegde foto’s zien we Teeven in hardlooptenue. Misschien denkt hij dat hij poseert alsof hij zijn spieren rekt, maar wat we zien is een man die zich nauwelijks staande kan houden in iets dat nog het meest op een halfhartige starthouding lijkt. Behalve Teeven zelf zijn er waarschijnlijk weinig mensen die denken dat hij zich hier als sportman presenteert.
Te vrezen valt dat Teeven dit stukje vanavond aan zijn vriendin laat zien – ‘Alweer de pers gehaald!’ – en dat zijn ministerschap weer een angstig stapje dichterbij gekomen is.
dinsdag 13 april
Slogans
Wie heeft eigenlijk besloten dat liberalen het meest verstand hebben van economie? Je hoort het vaak, ze zeggen het zelf ook regelmatig. Slogans zijn lege, onbewijsbare stellingen, maar geldt dat ook voor de nieuwe van de VVD: ‘De economie kan wel wat VVD gebruiken’?
Met het liberale marktdenken van de jaren negentig schijnt alle ellende te zijn begonnen. Het waren van de andere kant ook jaren van overvloed. Er is toen niets opzij gelegd om de huidige tekorten op te vangen – of ligt dat dan weer aan de PvdA?
Na de presentatie van het PvdA-verkiezingsprogramma zag je de ergernis over de sociaaldemocratische verkwisters werken in de schouders van Paul Jansen van De Telegraaf. Hij vroeg Cohen: ‘U wilt gewone mensen beschermen, én tornen aan de hypotheekrenteaftrek – zijn mensen met middeninkomens soms niet gewoon ofzo?’
Ik kon een eind met Jansen meegaan. Bij de PvdA hoor je nog meer gelul dan bij het CDA. Toen Cohen belastingverhoging een ‘solidariteitsbijdrage’ noemde, moesten zelfs de spindoctors even lachen. Maar misschien was het ook weer overdreven te beweren dat de PvdA ‘de middeninkomens torpedeert’, zoals Jansen schreef.
Toen Rutte twee dagen later het VVD-programma presenteerde, probeerde Jansen hem in het kamp te trekken van mensen die de economische onkunde van de PvdA niet langer verdragen. ‘Met dit programma,’ hoopte hij, ‘zegt u eigenlijk dat u niet met de PvdA zal kunnen regeren.’
Ik ben opgegroeid met de slogan: een slimme meid is op haar toekomst voorbereid. Ik was geen meid, maar koos voor de zekerheid toch maar wiskunde en economie. Er is, zoals u ziet, niet veel van mij terechtgekomen. Desondanks hecht ik het meeste geloof aan de econoom Van Wijnbergen, die schreef: ‘Toekomstige groei vangt de helft van de tekorten wel op.’ Ik las hierin dat met de andere helft prima te leven valt.
Hiermee kunnen we afscheid van nog een slogan nemen. Nietsdoen is wel degelijk een optie. Aan de peilingen te zien, dringt dit ook langzaam tot u door. Balkenende is onze man. In voor- en tegenspoed. En nu ga ik even liggen.
maandag 12 april
Oom Snickers II
Voor mijn vakantie beschreef ik SP-leider Emile Roemer als een oom waar je als kind een beetje bang voor bent omdat hij altijd van die onverhoedse, fysieke grappen met je uithaalt en, vlak voordat de balans van lach naar traan dreigt over te hellen, breed lachend een Snickers vanachter je oor tevoorschijn tovert.
Terug in de Tweede Kamer realiseerde ik me hoezeer ik mij in de vakantie van de politiek bevrijd had gevoeld. Ik balanceerde niet tussen lach en traan, veel scheelde het niet. Achter het omhulsel was alles in de greep van het ongemak.
Ik viel nog lang niet samen met mijn omgeving toen een collega mij op de wandelgang een kaart van Roemer gaf, in een postvakje gevonden. ‘Leuke column,’ stond erop. ‘Misschien eens met koffie erbij?’ Aan de kaart was met twee nietjes een Snickers gehecht.
De Snickers hielp me niet van het ongemak bevrijden. Ik stak de Snickers in mijn zak, haalde hem er weer uit, liet ze aan enkele journalisten zien. Eentje zei: ‘Roemer grijpt alles aan voor naamsbekendheid.’ Anderen lachten. Met de onderste gezichtshelft lachte ik mee; de bovenkant bleef alert zoeken naar de betekenis die aan kaart en reep gegeven moest worden.
De tijd verstreek, de Snickers verdween niet uit mijn gedachten. Op het terras probeerde ik anderen ervoor te interesseren. Zelf was ik gezien de aanstormende zomer weer aan gezond en sport geslagen. Niemand had belangstelling – wanneer een Snickers door vele handen gaat, en door veel gedachten wordt aangeraakt, verliest hij kennelijk zijn aantrekkingskracht.
De zon zakte weg achter de gebouwen van de Tweede Kamer; ieder ging zijns weegs. Thuis realiseerde ik me met een schokje dat ik mijn Snickers was vergeten. Ik zag ineens een treurig beeld: Roemer, die onderweg naar de parkeergarage even stilhoudt bij een terras. Met de handen in de zij bekijkt hij zijn attentie, die ondankbaar eenzaam op een tafel ligt. Ik mailde snel dat ik graag op zijn uitnodiging wilde ingaan, al zette ik daarmee dan misschien een enigszins onverkwikkelijke keten van gebeurtenissen voort.
Manie
Over Job Cohen schijnt deze weken een manie het land in de greep te houden. Hij staat hoog in de peilingen, dat is zo. Hij beschikt over een Facebookpagina, ook dat valt niet te ontkennen. Misschien is het daarom dat we moeten geloven dat de Cohen-mania ook bestaat buiten de monden van nieuwslezers, deskundigen en adepten. Ja, ik noem ze even apart.
Zelf schijnt Cohen niet blij te zijn met de manie. Na de presentatie van het nieuwe PvdA-programma verscheen hij er met een bezorgd gezicht over op televisie. Dat hadden we lang niet gezien, een politicus die niet blij in de camera kijkt. Toch konden we zijn bezorgdheid niet rijmen met de wijze waarop hij tijdens zijn voordracht hengelde naar begeestering.
Het was pas de tweede toespraak die we mochten bijwonen, nu al is duidelijk dat een Cohen-verhaal enkele momenten kent, hoogtepunten zijn het vermoedelijk meer, waarin plotseling veelvuldig gebruik wordt gemaakt van de herhaling. In elke zin krijgt dan een woord uit de vorige regel een cruciale plaats. De PvdA heeft dan een visie op. Een visie op de samenleving. Een samenleving waarin. Dit kan soms langer doorgaan dan je vooraf had kunnen denken.
Op andere momenten tracht hij zijn gehoor met een spervuur van slogans en frasen onder stroom te zetten. We moeten dan bruggen slaan. Over schaduwen springen. Morele helderheid scheppen. Contouren van het nieuwe Nederland schetsen. Want de uitdagingen zijn groot. De noodzaak is er. Nu komt het aan op politieke wil.
Over de kwaliteit en werkzaamheid van dergelijke retorische voorkeuren kun je waarschijnlijk wel een tijdje van mening verschillen, maar zo praat je niet als je bang bent dat de mensen je op handen gaan dragen.
Maar goed. We kunnen niet in het hoofd kijken van Job Cohen. We zullen hem op zijn woord moeten geloven, het voordeel van de twijfel geven. Hij vindt de manie vervelend, hij houdt er niet van, hij ‘is ook maar een mens’. Zo bezien moet het hem een opluchting zijn geweest dat zijn voordracht op het journalistengehoor is doodgeslagen.
donderdag 8 april
Burengerucht
Ik vind Hero Brinkman een sympathieke man, maar er zijn ook mensen die daar anders over denken. De barkeeper van Nieuwspoort die zich door Brinkman bedreigd voelde, of wist. De buurman met wie Brinkman in een zodanige burenruzie verzeild is geraakt dat beiden zich genoodzaakt zagen aangifte wegens mishandeling te doen.
Laatst zag ik Brinkman ergens in de Tweede Kamer; ik heb geen contact gezocht. Mensen met ruzie laten dingen zien die ze liever verborgen houden. We moeten ze meer rust gunnen dan ze krijgen, en een beetje privacy.
Daarbij: volgens De Telegraaf was er bij de burenruzie sprake van een ‘achtpalige stolpboerderij’, een ‘splitsing’, ‘huurpenningen’ en een ‘inwonende aannemer’. Dat zijn de palen waarop de burenruzie rust. Voeg aan dit samenspel nog ‘akte’ toe of ‘gerucht’, en ook mijn bloed begint te koken.
In een poging Brinkman tot een interview te verlokken, liep een journalist een eindje met hem op. Ze kwamen langs de plek waar Wilders even tevoren enkele verslaggevers had proberen uit te leggen waarom het hoofddoekjesverbod niet langer belangrijk was.
Mochten we nu naar de neergang van de PVV kijken, schenkt die mij geen genoegen. Ik begrijp niet waarom Wilders na jaren kritiek op draaien, draait. Ik begrijp niet waarom kiezers de islam ineens zo ongevaarlijk vinden dat ze op andere partijen zullen stemmen.
In Het verhaal van een Duitser schrijft Sebastian Haffner: ‘Dat “wat ieder kind weet”, is de onloochenbare kwintessens van iedere politieke ontwikkelingsgang.’ Dat was in 1933. In onze tijd zijn kiezers kinderlijk geworden. Ik zou Maurice de Hond althans graag eens de telefoon uit handen willen rukken en daarin zeggen: ‘Je wilde een fascistische regering, je hebt drie jaar om een fascistische regering gezeurd, nu krijg je er ook een.’
Brinkman liet zich niet tot een interview verleiden. Hij wil geen aandacht aan de kwestie besteden. Op internet zei hij dat de ruzieverhalen ‘van a tot z’ gelogen zijn. Dat is een element waar rekening mee moet worden gehouden. In burenruzies is wel vaker nergens iets van waar.
woensdag 7 april
Fijne dag
Toen ik er na het sporten achterkwam dat je in Fitness First vanwege verbouwingen zes weken niet kon douchen, besloot ik onderweg naar de uitgang mijn zwetende ongenoegen hierover bij de balie kenbaar te maken.
Dat kreeg je ervan: voordat ik kon zeggen dat het niet nodig was, had een medewerkster de filiaalmanager gebeld. Daarmee was mijn klachtje een volwassen klacht geworden, die op het punt stond een dienovereenkomstige behandeling te krijgen.
Ik moest precies lang genoeg wachten om te begrijpen dat ik met mijn klacht tot de klagers was toegetreden, de ontevredenen, mensen van wie ik me niet langer openlijk kon distantiëren, terwijl ik daar altijd zo’n plezier van had gehad.
‘Wist u niet van de verbouwing?’ zei de manager. ‘Dan is er niet goed gecommuniceerd. U mag ervan uitgaat dat we dat voortaan beter zullen doen.’
‘Communicatie is niet helemaal het probleem,’ zei ik voorzichtig. ‘De douche doet het niet, dat is het meer: u verkoopt een product dat het niet doet.’
‘Oh,’ zei de manager, ‘maar ik heb juist begrip voor uw situatie. Ik vind het echt vervelend. Ik hoop dat u ook begrip voor ons hebt.’
‘Begrip heeft er niets mee te maken,’ zei ik, al iets minder voorzichtig. ‘Ik wil geen begrip, ik wil straks ook geen fijne dag, daar vraag ik niet om.’
Het klagen luchtte niet op, het gelijk schonk geen genoegen. Ik kreeg integendeel een beetje medelijden met de manager, die hulpeloos naar de puinhopen stond te kijken die zijn strategie zo onverwacht had aangericht. Alles had hij gedaan, het probleem serieus genomen, begrip getoond, communicatielessen voor de toekomst getrokken, maar van de beloofde agressiereductie was niets terechtgekomen.
‘Laat anders ook maar,’ zei ik. ‘Zo erg is het ook weer niet.’ Mijn klacht had een wereld geopend waarin mensen alleen nog in afgeleiden kunnen praten. Het was daar niet leuk in kijken, het bood zelfs een beetje onheilspellende aanblik, maar als je de dagen een beetje fijn wilde houden, moest je er maar zo snel mogelijk genoegen mee nemen.
dinsdag 6 april
Sardientjes
Het was omdat ik mijn toilettas in de handbagage had gestopt en alle haarverzorgingsproducten bij de douane had moeten achterlaten dat ik op het centrale plein van Lissabon met plat haar werd opgevangen door de mooiste televisieverslaggeefster van Portugal om over het toerisme te worden geïnterviewd.
Ze bracht haar schitterende gezicht bij het mijne, hield een microfoon onder mijn neus en vroeg waarom ik voor Lissabon had gekozen. Wat sprak mij aan? Wat ging ik bezichtigen? Waar verheugde ik mij op?
‘Ja, eh, sardientjes,’ zei ik. ‘Gegrild. Heerlijk. De witte wijn. De eh, sardientjes.’
‘En verder?’ vroeg ze. Ik dacht diep na. Hoe mooier de gesprekspartner, des te meer je van je eigen woorden ging verlangen. Dat was een van de vele exponentiële effecten die mooie vrouwen op je hadden.
Lissabon was niet erg interessant. Als je van paard en wagens hield, elektriciteit of porselein, kon je naar het museum. Enkele kloosters hadden de aardbeving van 1755 overleefd, maar die waren geblokkeerd door mensen zonder belangstelling voor geestelijk leven; ze maakten er foto’s om ze thuis te laten zien aan mensen die daar ook geen belangstelling voor hadden.
Ik zei nog iets, ze liet me nog een paar Portugese termen herhalen, die ik uitsprak als een omgekeerd vraagteken, daarna mocht ik gaan. Toen ik wegliep, realiseerde ik me dat ik minstens acht keer ‘sardientjes’ had gezegd. Niet uitgesloten was ook dat ik daarbij een hand naast mijn oor had laten wapperen – ‘Hmm, sardíentjes!’
En ik wist ineens heel zeker dat ze de man met het platte haar als de blooper in de uitzending zouden versnijden. Telkens kwam die dork uit Holland even tussendoor – ‘Hmm, sardíentjes!’ Over twee dagen zouden de mensen mij met wapperende handen langs de oren gaan begroeten. Ze hadden hier natuurlijk ook een De Wereld Draait Door.
Ik liep verder, de stad in, de vakantie. Mijn voorbereidingen op de verkiezingscampagne moesten nog beginnen, maar op een bepaalde manier kon je ze ook wel weer als voltooid beschouwen. En zo lekker waren die sardientjes nu ook weer niet.


